26 december 2024.
Kiang West National Park ligt op een uurtje rijden van Bintang. Om daar te geraken nemen we de zuidelijke asfaltweg. Het landschap is nu golvender dan aan de kust, droger, en vooral savanne-achtig, een groot verschil met het tropisch woud. We passeren vlotjes tientallen politie-controles: politiepas Lou doet haar werk.
Even voorbij één van die politieposten stoppen we. Een oma met een schaal bananen op haar hoofd komt aangerend alsof haar leven er vanaf hangt. Een tweede mevrouw ook met bananenschaal op het hoofd kan haar niet bijbenen. De bananen kosten 50 dalasi per tros; we nemen er twee, betalen 200 dalasi (2,7 €) en verwachten geen wisselgeld. De tweede bananen-mevrouw – blijkbaar de kleindochter van de oma – wil in bananentrossen wisselgeld geven. Als we dat niet willen, ruziën oma en kleindochter over hoe de 100 dalasi te verdelen.


De ingang van Kiang West is niet gemakkelijk te vinden. We willen naar Batelling rijden maar … geven dat op: de zandweg lijk echt te smal. Nochtans staat er al snel iemand klaar met een fiets: we hoeven hem maar te volgen en we komen wel aan de ingang. Nee, dank u. We rijden verder naar Tendaba Camp. In een onooglijk gehuchtje rijden we een straatje in – hier is de gemeenschappelijke waterput – maar de straat loopt dood op een poort die onmiddellijk geopend wordt. We zijn in Tendaba Camp: een paar gastenverblijven, zelfs een klein zwembad, een receptie … We ontmoeten Omar, gids voor Kiang West die voorstelt om ons in het park te gidsen, met onze auto.


Met Omar hobbelen we wegjes in – smal en tussen twee meter hoog gras – die we nooit alleen zouden durven inrijden. We passeren inderdaad Batelli waar een tiental dorpsoudsten onder een grote boom in een cirkel zitten. Bij het lijk van een nog niet zolang gelden gestorven ezel, zitten een paar gieren te wachten op verdere ontbinding. ‘t Zijn kapgieren, “hooded vultures”, die we ook in Zimbabwe zagen.

Omar leidt ons door het woud naar een zoetwatermeer – de hier nog brakke Gambia is dichtbij. Prachtig uitzicht over het meer met de tropisch begroeide oevers: raffia-palm, baobabs, kapoks … Maar vogels of dieren zien we niet: ‘t is middag, het slechtste moment van de dag voor vogel spotten (of andere dieren). Gelukkig hebben we ons driftig ingespoten met “deet” want hier zijn tientallen vliegen die weliswaar niet steken maar toch flink vervelend zijn.
Even verder stappen we over een vlakte die regelmatig overstroomt. Opnieuw heel speciaal landschap. Met verrekijker spotten we warthogs (drie) en een hamerkop (vogel) en sporen van antilopen. Wenk-krabben vluchten snel naar hun hol. Bij gebrek aan dieren is het landschap de voornaamste attractie.






‘t Is voor het eerst echt w arm. Lou heeft er last van. Tijd om terug te keren naar Tendaba Camp. De dorpsoudsten in Batelli zitten nog steeds op dezelfde plaats. Omar vraagt aan kindjes – die duiken van overal op, zodra we in een dorpje stoppen – een baobab vrucht in ruil voor wat snoepjes. In Tendaba breekt hij de vrucht open: er zitten een soort van piepschuim blokjes in. Die smaken licht zoetzuur, net als snoepjes. Afrekenen met gids Omar (3.000 dalasi, een goede 40 €); nog een drankje in het “restaurant” (meer een hangar) van Tendaba en we vatten de terugweg aan al lunchend (brood, eieren en bananen) in de auto.

Net achter de brug van Kalaji is er een “military checkpoint”, ongeveer zoals een politiecontrole … denken we. Bij elke controle is er een kleine nadar-afsluiting met stop-teken vóór de eigenlijke controlepost. Bij politiecontroles respecteert bijna niemand dat stopteken en rijdt gewoon heel traagjes door tot aan de controlerende politieagent. Dat doet David nu ook: hij rijdt traag voorbij het stopteken … een gehelmde soldaat met machinegeweer, zonnebril en mondmasker steekt van ver al verschillende malen zijn middenvinger op en wijst ons tot bij hem. Het gaat verkeerd: de kerel is woedend; we zijn niet gestopt; dat is een teken van disrespect. Hij blijft extreem onbeleefd doorgaan ondanks de herhaalde verontschuldigingen van David. We moeten aan de kant …
OK, even met de kerel gaan praten. Ik moet de koffer openen; één blik op de inhoud – rugzakken – en de kofferbak mag weer dicht. “You should give me a token of appreciation”, zegt hij; met andere woorden hij wil geld, omkoping!
Ik weet, principes worden duur betaald, maar we gaan hier geen geld geven. Ik ga met de kerel discussiëren. Dat we de regels niet kenden, dat we een klein kind bij hebben … niets helpt. Ik bel met de receptioniste van Abca’s Creek Lodge; die spreekt met de nog altijd ziedende soldaat … helpt niet. De receptioniste geeft me de raad om toch maar te betalen, 500 dalasi. Wacht even … net als ik de kerel wil bedreigen met het bellen van de Belgische ambassade (bluf) verschijnt nog iemand op de proppen, iemand met een blauw hemd. Die vraagt me heel beleefd of we een probleem hebben en of hij kan helpen. JA, we hebben een probleem en ja we zijn – weliswaar traagjes – doorgereden waar we hadden moeten stoppen maar dit is buiten alle proportie. Hij heeft niet het recht ons vast te houden! “Wait a minute”, zegt de blauw hemd persoon, “let me talk to him”. OK? Wonder boven wonder … na een paar minuten zegt blauw hemd: “It’s OK, drive on”. Onbegrijpelijk! Ik stop hem toch 200 dalasi (2,7 €) toe voor de hulp hoewel hij “not necessary” zegt. Later vertelt Evelien me dat hij een kaki legerbroek aan had! Ook een militair! Ze speelden “good cop, bad cop” …
Terug in Abca’s Creek,Lodge moeten we natuurlijk ons verhaal doen. Het personeel is geschokt. “This was a guy without a brain” wordt er gezegd en “that is not someone of us, Gambians” en “outrageous” en …. De hele lodge lijkt ons verhaal al te kennen.
Met een wonjo-sap, een biertje en een wijntje kunnen we het gebeuren snel achter ons laten. Als puntje bij paaltje komt: we passeren hier dagelijks tientallen politie-controles, steeds vriendelijk en met de glimlach. Één idioot mag onze appreciatie voor Gambia niet beïnvloeden.
Maar morgen moeten we wel langs datzelfde military checkpoint verder naar het oosten van Gambia …