Kastelen in Sherborne.

20 juni 2026.

De schuchtere avondnevel van gisteren is vanmorgen vroeg uitgegroeid tot een volwassen mist met motregen. Gelukkig stopt de regen snel. Ook de mist trekt langzaam op. Een geelgors en een witte kwikstaart komen alvast insecten uit het grasveld achter ons vakantiehuis zoeken.

Sherborne.

In vogelvlucht ligt Sherborne, een stadje in het noorden van Dorset, amper 18 km van Bramble. Maar langs de weg rijden we ruim 26 km of in tijd gerekend: 40 minuten. Op deze smalle wegen, soms niet breder dan een auto met twee meter hoge muren langs beide kanten, kan het moeilijk sneller. Deden we trouwens niet aan “slow travel”?

Sherborne is bekend om zijn abdij. Die zoeken we eerst. Alhoewel, veel zoeken is er niet aan: vanaf onze parkeerplaats op Old Market Yard zien we de donkergele, vierkante toren van de abdij. We wandelen door straatjes met huisjes in dezelfde goudgele kalksteen, typisch voor Dorset. Zowel de abdijkerk als het plein met grasveld ervoor zijn indrukwekkend.

Van hieruit wandelen we door Cheap Street, de historische hoofdstraat met enkele vakwerkhuizen en stokoude gebouwtjes. Een “local” ziet ons foto’s nemen en spreekt ons aan: “Thanks to you people, I realise again how beautiful my town is.” Zo gaat dat: van wat je gewoon bent, zie je vaak de schoonheid niet meer!

Sherborne kasteel.

We stappen verder langs Purlieu Meadow, – zoals de naam zegt: een grote open weide met wandelpaadjes, tot aan de ingang van het kasteeldomein van Sherborne. Bezoek aan tuinen en kasteel kost 20 £ p.p., niet min! Het kasteel moet met gids bezocht worden: volgende tour om 12.30 u.. We hebben tijd voor een koffie. Maar daarvoor moet je, langs de parking, door een tuincentrum wandelen. Plus: koffie wordt geserveerd in een serre. Inmiddels zijn mist en wolken verdwenen. ’t Is een aangename 21° C en een stuk warmer in de restaurant-serre.

Het kasteel dan. Eigenaardig is het minste wat je kan zeggen. Het oogt streng, militaristisch, een zogenaamd “Tudor-landhuis”. De gids mompelt een maar half verstaanbaar Engels. Hij leidt ons door een tiental kamers in verschillende stijlen en met steeds andere functies en vertelt anekdotes over Sir William Raleigh, 16de eeuwse bouwer en eerste eigenaar. Onze gidsbeurt loopt uit tot anderhalf uur! We hebben honger en wandelen terug naar Sherborne centrum.

Café D’Urberville.

Typischer Engels wordt het niet: Café d’Urberville in hartje Sherborne. De bar is op de tweede verdieping, te bereiken via een versleten, afgebladerde, houten trap. Houten vloer; allegaartje van houten meubels; ruwe muren met verschillende lagen pleister in vervagende kleuren; roestige, ijzeren ramen; attente bediening. De lunch is andermaal lekker: zalm met plattekaas en dille op een bagel met sla of avocado op zuurdesembrood met salsa verde.

Sherborne Old Castle.

Er zijn twee kastelen in Sherborne: het reeds bezochte Tudor-kasteel uit de 16de eeuw, maar ook een vierhonderd jaar oudere ruïne van een middeleeuwse versterkte burcht. Die moeten we ook nog zien. Alleen …. toegang tot het terrein van die fotogenieke overblijfselen kost nog een keer 7,50 £ en meer dan een ruïne is het niet. Vanuit het park van het Tudor-kasteel kun je wel naar “The Old Castle” wandelen, maar niet op het terrein of de ruïne ervan komen.

Die wandeling is prachtig! Langs de rand van het meertje in het park, doorheen het bos – ideaal in de schaduw, want de zon begint te branden – langs een beekje met waterval tot … een lange, hoge en oude muur: de muur van het oude kasteel. Het wandelpad loopt langs de muur en gelukkig is er op één plek een groot gat. Zo, we hebben onze foto’s van de ruïnes beet.

Tijd nu om inkopen te doen. Wie kon vermoeden dat dit zo stressvol zou zijn?

Cash.

Aan de kassa van supermarkt Sainsbury’s betaal ik zoals gewoonlijk met Apple Pay. Niet deze keer, want de transactie wordt geweigerd. Eigenaardig, dat werkte altijd. Bankkaart geprobeerd: geweigerd! Visa-creditcard geprobeerd: geweigerd! We hebben geen cash bij: al twee keer reisden we in Engeland zonder één pond op zak, en nu??? Apple Pay opnieuw ingesteld met mijn Nederlandse bankrekening. Deze keer verschijnt het bericht: deze betaalterminal aanvaardt dit soort kaarten niet! Kan het zijn dat hier bij Sainsbury’s Europese bankkaarten niet werken? Of alleen niet aan deze kassa? Hoe dan ook, we houden de file achter ons op. We zetten de volle winkelkar aan de kant en moeten op zoek naar cash!

Eerst een bankautomaat vinden. Wat doelloos rondlopen, vragen aan een passant: er blijkt een cashpunt buiten aan de supermarkt te zijn. Bankkaart proberen: transactie geweigerd! Nu worden we pas echt ongerust. Visa-creditcard proberen … spannend … joepie, er komt geld uit de muur! Engelse ponden, ze voelen aan als stijfgestreken boterhampapier. Maar we zijn wel gered!

’t Is bijna 18 uur als we op het terras van Bramble kunnen genieten van een wijntje en de zonsondergang.

Bramble, Dorset.

18 juni 2026.

Bramble, proloog.

“Bramble”: bramen, braamstruik, braambes. Ons vakantiehuis voor een week in Ansty, Dorset heet Bramble – Baambes. Het ligt in het midden van … niets … van het Dorset-platteland. Terwijl Dorset juist bekend is omwille van zijn “Jurassic Coast”. Zo genoemd omdat de kliffen aan de kust verschillende lagen tonen uit de geologische tijdvakken Trias, Jura en Krijt. Geef toe: “Jurassic Coast” klinkt beter dan “Trias coast”; en “Krijt kust” … tja, Dover heeft ook krijtrotsen. Bramble ligt – in vogelvlucht – zo’n 20 km van de kust, echt in het centrum van Dorset.

Reispas: check; ETA: check; Explorer pass: check; smartphone: check; we kunnen vertrekken. Enige bezorgdheid: is er niet te veel te beleven om “traag” te kunnen reizen?

19 juni 2026, 8.50 uur, vlucht Brussel – Londen, twee incidentjes. Bij de veiligheidscontrole op de luchthaven valt mijn emotioneel waardevolle Kodachrome Basin State Park pet tussen de transportband en de rand. Het systeem trekt de pet los, duwt ze weer terug, trekt de pet los, duwt ze weer terug, nog een keer … Het hele systeem wordt stilgelegd, een collega erbij gehaald, en nog een collega, en nog één. Die laatste kruipt de band op en maakt mijn pet handmatig los. Probleem opgelost.

Incident twee: eens we in het vliegtuig zitten, blijken een paar passagiers te ontbreken. Maar hun bagage zit al in het ruim. Die moet er eerst uit. Resultaat: een uur vertraging voor een vlucht van 40 minuten. Reken nog een uur om met bagage uit Heathrow te raken en een half uur voor we onze huurauto – Citroën Aircross – in ontvangst nemen en ’t is 12.30 uur, lokale tijd. Met de auto via de Kanaaltunnel waren we ook al ter hoogte van Londen. The joys of travel!

De test van Stockbridge.

Halfweg tussen Heathrow, Londen en Bramble in Ansty ligt Stockbridge, een pittoresk Engels stadje. We verlaten de M3 autosnelweg en voelen onmiddellijk Engelse ”platteland-vibes”: smalle wegen op en neer; groene muren van hagen en bomen langs de weg; eindeloos rijden zonder bewoning te zien; hier en daar een oude pub met een paar huizen.

Stockbridge stelt niet teleur: een lange “high street” met restaurants, winkeltjes, kleine kleurrijke huizen, een kerk; dat alles onder een stralende zon. We belanden in “The Test of Stockbridge ”, een klein restaurant met een groot, schaduwrijk terras langs een helder klaterend beekje. Dat blijkt een zijriviertje van “The Test” te zijn, de rivier die door Stockbridge stroomt.

We lunchen onder een grote treurwilg met “House Toastie”. Voor mij een “Tuna Melt” met selder, kappertjes, dille, olijven en rode ajuin. Maar Betty scoort de culinaire hoofdvogel: geroosterd zuurdesembrood met Wiltshire ham, Cheddar kaas en tomaten van het eiland Wight. “Overheerlijk”, zegt ze zelf! De omgeving en sfeer zullen er ook wel toe doen. Water is gratis in Engelse restaurants: een rek met grote waterfles en glazen voor zelfbediening tart alle wetten van de zwaartekracht en hangt scheef tegen een muur.

Nog even flaneren door de hoofdstraat en het heldere water van de Test bewonderen. Met grote forellen! Aan een brugje hangt een bord: voor 1£ kun je de vissen voeren. Alle opbrengst gaat naar liefdadigheid.

Bramble, Antsy.

We rijden verder along England’s greenest hills, knipoog naar Elton John. De zon versluiert, de weg versmalt naarmate we Antsy naderen. We passeren The Fox Inn, lokale pub met een groot terras-grasveld. Nog een lange, geleidelijke klim een heuvel op en we zijn er. Een patrijs en een kanjer van een haas verwelkomen ons. Bramble ligt op de top van een heuvel met weids uitzicht over het platteland van Dorset. Langs de ene kant van het terrein zorgt een aarden wal, overwoekerd door margrieten, voor privacy. Langs de andere kant een wilde haag met – inderdaad – hier en daar bramen.

In het vakantiehuis ligt een zuurdesembrood en zandkoekjes. Daarop overleven we vandaag niet. Maar er is een “Brewery Farm Shop” in de buurt. We verwachten iets sjieks of minstens pittoresk met lokale producten, maar ’t is een kruidenierswinkeltje in een golfplaten “shed”. Alle ingrediënten voor spaghetti kopen, dat moet lukken. De winkelbediende ziet er Indisch uit en spreekt ook met een Indisch accent. Aan zijn kassa hangt een kalender met foto’s van India … Delhi, Jaipur … die hij ons allemaal toont.

’t Wordt vanavond omelet met tomaat op zuurdesembrood, want … we vergaten spaghetti te kopen!🤣

Nog even luisteren naar het zachtjes ritselen van bladeren, hier en daar een vogelgeluid en verder … niets! Onze haas speelt onder bomen. Dorset ademt een fijne, doorzichtige nevel uit; het is 9 uur ‘s avonds, 18° C …

Ronddolen in het “Château fort de Bouillon”.

24 mei 2026.

De zondagse markt van Bouillon op de kades langsheen de Maas is “gewoon”: een markt zoals zovele. Kraampjes met van-alles-en-nog-wat, met kleding, groenten, “kunstwerken”, lederwaren … Nee, vandaag gaan we voor de “Chateau-fort”, versterkte burcht die Bouillon hoog op de rots domineert.

Het kasteel van Bouillon.

Langs de “Sentier Toussaint” klimmen we opnieuw de rots op. Andermaal is een stralende zon van de partij. Af en toe stilstaan om het kasteel – boven ons – en de stad – onder ons – te bekijken. Of de speciale plantengroei te bestuderen, zoals steenbreekvaren, spoorbloem of muurleeuwenbek …

Het kasteel opent pas om 10:00 uur; we zijn een kwartiertje te vroeg; nog wat van de zon en de panorama’s genieten. Dan aanschuiven: een twintigtal bezoekers voor ons; de meesten moeten nog een ticket betalen, audio-gids?, bezoekersgids? … ‘t loopt niet zo efficiënt! Wij hebben onze City Pass+ = iets vlotter!

Ronddolen in krochten. Zo kan je best onze bezoek-ervaring omschrijven. De “bezienswaardigheden” zijn genummerd, we moeten het circuit maar volgen. Maar we lopen voortdurend door smalle, vochtige gangen, trap op, trap af. Die bezienswaardigheden zijn dikwijls lege kamers, zoals de “stoel van Godfried van Bouillon”, niet meer dan een lege nis in de rots is. Ongetwijfeld heeft Godfried hier bij kaarslicht zitten mijmeren.🤣 In sommige ruimtes staan bestofte, aangeklede poppen niets te doen … kruisvaarders, nog daterend uit de eerste kruistocht?

Gelukkig belanden we af en toe op de kantelen met mooie uitzichten op Bouillon en/of het middenplein en torens van het kasteel. Dat is dan wel de moeite waard. Net zoals het dagelijkse “Ballet van de Roofvogels”.

Het ballet van de roofvogels.

Eddy de Gier – wat een toepasselijke naam voor een valkenier – van Falcon’s Residence presenteert een half uur durende show … met veel humor. Eerst is het de beurt aan Pjotr, een valk die vrij rondvliegt, af en toe een vleesbrokje bij de valkenier komt halen en … verdwijnt over de kasteelmuren! Geen paniek, Pjotr komt altijd terug, weliswaar soms na een hele dag, maar terugkeren doet hij.

Een paar woestijnbuizerds steelt de show door rakelings boven onze hoofden te scheren. Daarna is het de beurt aan een prachtige kerkuil. O ja, daar is Pjotr plots terug: te warm, te weinig thermiek om goed te kunnen zweven.

De apotheose van de show? Eddy de Gier presenteert twee kalkoengieren met rode, kale koppen … kaal want ze steken die kop in de achterste lichaamsopening van een kadaver om de ingewanden er uit te halen! Boeiende show.

Tijd nu voor een late lunch op ons zelfde bankje van gisteren langs de Semois.

Tijd ook om afscheid te nemen van Bouillon na drie zomerse dagen in mei.

Bouillon.

23 mei 2026.

Hotel de la Poste, Bouillon.

’t Is eigenaardig wakker worden in Bouillon, in Hotel de la Poste. Vanuit onze oude beddenbakken – gelukkig met hedendaagse matras en onderstel – kijken we uit op antiek meubilair, geschuurd in Polen. Blote voeten op eeuwenoude, krakende planken vloeren. De wifi “kraakt” al even erg.

Beroemdheden zouden hier geslapen hebben. Napoleon III verbleef hier een nacht als krijgsgevangene onder Duitse escorte, na zijn smadelijke nederlaag tegen Pruisen in Sedan in 1870. Emile Zola zou hier geweest zijn, net zoals Victor Hugo en koningin Elisabeth maar daar is geen enkel bewijs van.

Hoe dan ook, het hotel straalt grandeur uit, van buiten maar meer nog binnenin. Marmer, houten trappen met dik tapijt, luxueuze salons, spiegels, glas, fauteuils: alsof we zo in de negentiende eeuw zijn beland.

Dat is dankzij een Nederlander uit Venray, ene Huub Bom – vandaar de naam van het trendy restaurant BOM. Hij nam een vervallen en leegstand gebouw over in de jaren zeventig van de vorige eeuw en restaureerde het. Het verhaal van die restauratie doet een lokale krant uit Venray uitgebreid uit de doeken.

Bouillon.

Overigens ligt Bouillon er op deze zaterdagochtend rustig bij, net zoals gisteravond. Ideaal om stad en omgeving te verkennen. met een Route You wandeling van 4,7 kilometer onder de titel: “Stadswandeling Bouillon: De parel aan de Semois”. Dat belooft.

Bouillon ligt in één van de vele bijna perfecte lussen van de Semois. Die lus wandelen we binnen langs de Pont de Liège, lange tijd de enige brug in de stad. Tot in de 19de eeuw vaarden inwoners met platbodems de Semois over.

In het centrum valt onmiddellijk de okergele kerk op. Ze contrasteert fel met de leisteen-grijze huizen en het kasteel door het gebruik van gele zandsteen en een 20ste eeuwse restauratie met geel-beige kalk. Even verder het stadhuis in een oud, klassiek gebouw en het Musée Ducal.

Maar echt leuk is het historische hart van de stad: de “Quartier de Bretagne”. De kleine straatjes en typische huizen doen denken aan meer zuiderse landen en streken.

We wandelen langs de linkeroever van de Semois, passeren oude stadspoorten : de Bastion du Dauphin en de Bastion de Bretagne. Wat is de omgeving groen, wat een natuur! Aan de Pont de France verschijnt links van ons het kasteel. Fotogeniek, zeker bij dit zomerse weer.

We moeten de smalle boogbrug over, niet zonder moeite en sensatie. De brug is amper breed genoeg voor een auto. Wandelaars, joggers, mountainbikers, fat-bikers, auto’s willen allemaal in beide richtingen de brug over. Het komt tot een staar-wedstrijd in het midden van de brug: twee auto’s staan bijna neus aan neus. Wie knippert eerst met de ogen? Gelukkig lost alles vreedzaam op.

Langs de rechteroever door het bos (verkoelende schaduw!) keren we terug. Waar het bos eindigt, houdt een Godfried van Bouillon standbeeld de wacht.

Le Couvent des Sépulcrines.

Tijd voor een koffie langs de Semois, op het terras van “La table des Sépulcrines”, het klooster van … ja, de “Sépulcrines”, vrij vertaald: de Kanunnikessen van het Heilig Graf. Dat klooster is vandaag één van de opvallendste en grootste gebouwen van Bouillon. Het huist nu de toeristische dienst en “Bouillon Medieval Experience”, waarover later meer.

Tientallen zwaluwen tonen hun vliegkunsten, hoog boven de Semois. Verschillende zwaluwnesten hangen onder de dakgoten van Hotel de la Poste.

Onze wandeling brengt ons verder door de 90 meter lange tunnel onder het kasteel. Nu rijden hier auto’s door maar oorspronkelijk werd de rots doorboord om “Le Bouilonais”, een buurtspoorweg naar Sedan, aan te leggen, eind 19de / begin 20ste eeuw.

Zo zijn we opnieuw bij de Pont de France: de cirkel is rond. Tijd voor meegebrachte lunch op een bankje in de schaduw, uitkijkend op de beboste helling van de rechteroever van de Semois.

Maar we moeten nog terug … de kasteelrots op, 45 meter omhoog in de blakende zon. En 45 meter langs de andere kant naar beneden, ook in de zon. Panorama’s zijn hier natuurlijk uitzonderlijk mooi, maar bezoek aan het kasteel houden we wijselijk voor morgen.

Bouillon Medieval Experience.

Terug aan het Couvent des Sépulcrines om Bouillon Medieval Experience te bezoeken. Daarvoor moet je wel een City Pass+ van 16 € kopen. Maar die geeft ook recht op toegang tot het kasteel, onder andere.

Met audiogids wandel je door zalen waarin via levensgrote projecties en animaties het verhaal van de eerste kruistocht wordt verteld, grotendeels vanuit het standpunt van Godfried van Bouillon weliswaar. Maar ‘t is een visueel boeiend spektakel. Achteraf dolen we nog even door de lege kloostergangen – de enige ingerichte cel is gesloten: niet (meer?) te bezichtigen.

Nu nog wat flaneren langs de Semois – de zwaan- en flamingo-pedalo’s zijn losgelaten op de rivier; ‘t is ook drukker in de stad – aperitieven, dineren en slapen in een historisch gebouw. Bonne nuit.

Het Mudia in Redu.

22 mei 2026.

Reisblogs rapporteren zelden of nooit over “eigen land”. Geen sant in eigen land? We breken met die gewoonte: hier komt België, om te beginnen: “Le pays de Bouillon”. Te beginnen met het dorpje Redu … hoewel … Redu ligt net niet in de “Pays de Bouillon” maar in de Famenne. Als je van het noorden of centrum van België komt, passeer je er wel. Vandaar …

Redu.

Redu is bekend, als boekendorp, als één van de mooiste dorpjes van Wallonië of door het nabij gelegen Euro Space Center. Maar wij gaan voor een nog veelal onbekende parel: het Mudia, Musée Didactique d’Arts.

Vrijdag 22 mei 2026 is een uitzonderlijk(?) vroege zomerdag: blauwe lucht, stralende zon, 22° C. De Ardennen zijn op hun mooist: diepgroene loofbossen, donkere naaldwouden, weiden van wiegende boterbloemen, vlammend gele brem … kerstbomen aanplant.

Het zonovergoten kleine centrum van Redu telt een aantal leuke terrasjes, kunstgalerijen en restaurants, naast huizen in typisch grijze leisteen – zoals de kerk – of gebouwen in vakwerk. Maar we zijn hier voor kunst!

Mudia.

Eens de balie van Mudia voorbij stappen we ruim 600 jaar kunst binnen, verspreid over vier verdiepingen. Te beginnen met een gedeeltelijke reproductie van de Brancacci kapel: muur-grootte reproducties van fresco’s met detail-uitleg via computerscherm. We wandelen verder door de eeuwen en de kunststromingen: 300 originele meesterwerken van Brueghel, Rodin, Ensor, Munch, Magritte, Warhol … 60 boeiende, interactieve animaties. Hier kun je uren spenderen en leuke weetjes oppikken.

Waarom worden de Vlaamse schilders van de 15de en 16de eeuw “primitieven” genoemd? Omdat zij als eersten met olieverf zouden geschilderd hebben of die kunst althans zouden vervolmaakt hebben. Van het Latijnse “primitivus”: eerst, oorspronkelijk.

Het woord “rococo” zou afgeleid zijn van de Franse woorden “baroque” en “rocaille”, een schelpvormig motief, veel gebruikt in deze kunststroming.

Dat karmijnrood van de schildluis is gemaakt wisten we. Maar niet dat het nog altijd als kleurstof E120 in snoep en yoghurt wordt verwerkt.

Over animaties gesproken: op groot computer-aanraakscherm wordt het drieluik “De temptatie van Sint-Antonius” van Jeroen Bosch geprojecteerd. Zodra je op één of ander monster tikt, komt dat gedrocht tot leven. Beesten kruipen uit eieren; demonen vliegen door de lucht; tweeslachtige wezens veranderen voortdurend van gedaante. Angstaanjagend voor klein? Boeiend en leuk voor groot!

Maar we “moeten” naar de Pays de Bouillon.

Le tombeau du Géant.

In vogelvlucht op nog geen 3 km van Bouillon – 15 minuten, 10 km met de auto – ligt één van de meest emblematische – en meest gefotografeerde – landschappen van België: de “Tombeau du Géant”. In een bijna perfecte lus van de Semois ligt een heuvel die op een grote grafzerk lijkt: dat is het graf van de reus. Legendes in overvloed. Maar bij stralende zomerzon (22 mei!) en nu 25 ° C hebben we meer oog voor het landschap.

Vijftig tinten groen: alsof elke boom met zijn eigen kleur zijn persoonlijkheid wil onderstrepen. Geen enkel spoor van menselijke activiteit te zien vanaf dit weidse uitzichtpunt in Botassart, behalve dan, beneden aan de Semois, het dak van het molenhuis. We wandelen naar beneden door een laag bos met afwisselend koele schaduw en strookjes zon, heen en terug naar de Semois slechts 2,5 km. Zover stappen we niet: naweeën van een hernia en voorzichtigheid manen ons aan om halfweg de afdaling terug te keren en … nogmaals van het landschap te genieten.

Gouden tor.

In Bouillon parkeren we op langs de boulevard Heynen. Gratis? Even vragen aan een motard: niet van hier. Aan een mevrouw met jengelende kinderen in een auto: krijgt net telefoon. Aan een verveelde meneer die in een bestelwagen zit te wachten: jawel, alle parking in Bouillon is gratis. Alleen moeten we de auto voor zaterdagavond verplaatsen omwille van de zondagse markt.

We logeren pal in het centrum, langs de Semois, in het iconische Hotel de la Poste. Voor het avondeten hebben we de keuze uit drie restaurants. We opteren voor het meest trendy met de eigenaardige naam: “Bom Food and Drinks” met terras langs de Semois-oever.

Nippend van een koele Sauvignon wachten we op onze hoofdschotel: Buddha Bowls. Plots vliegt een centimeter grote kever tegen mijn glas en valt onder onze tafel. ‘t Is een goud-groen exemplaar. Snel op handen en voeten om dat beest te identificeren.

Iemand van de naburige tafel schiet te hulp, een bioloog dan nog! Verdict: een gouden tor; niet zeldzaam maar wij hebben die nog nooit gezien. Het speciale aan de gouden tor: de dekschilden blijven gesloten tijdens het vliegen en de vleugels worden onder de dekschilden door geschoven.

Overigens … als we speciale insecten willen zien, beveelt de bioloog ons een natuurgebied bij Torgny aan. Voor een volgende trip?