Além do Tejo.

Zoals blijkt uit deze blog en zijn vele posts, kunnen we onze liefde voor Portugal niet onder stoelen of banken steken. Van de vijf vasteland-regio’s van Portugal ontbreekt er nog één op ons “palmares”: Alentejo!

Kaart van Alentejo, Porugal

Met 30 % van de totale oppervlakte is Alentejo de grootste regio van Portugal, waarschijnlijk de minst bekende en bezochte, maar zeker de minst bevolkte : slechts 7 % van de Portugese bevolking leeft hier, een kleine 800.000 inwoners op een oppervlakte ongeveer gelijk aan die van België met zijn 11 miljoen inwoners.

“Alèm do Tèjo” is Portugees voor “voorbij de Taag”, maar vanuit Lissabon gezien is het er wel flink “alèm”, een heel eind voorbij, in feite helemaal achter de brede vallei van de Taag, voorbij de regio “Lisboa e Vale do Tejo”. In het noorden vormt de Taag de grens met de regio “Centro” en 47 km lang de grens met Spanje.

Vakantie in Alentejo, waarom?

Behalve het “afwerken van ons Portugees palmares”🤣, vind je hier een paar andere redenen:

Portugal’s Secret: The Alentejo Region, Rich In History And Beauty (Forbes magazine).
It’s hard to understand why few people choose to holiday here. (Bradt Guide. Jawel: er is een vlot leesbare en boeiende Bradt reisgids, uitsluitend gewijd aan de Alentejo).
You’ll be bewitched (Lonely Planet).

Verleidelijk, niet?

Als uitvalsbasis voor onze verkenning kiezen we:

Op naar “Além do Tejo”.

25 juli 2024.

Jongleur naast groot reclamebord aan Lisbon Airport

Rechtstreekse vlucht Brussel-Lissabon, zonder problemen. Huurauto ophalen en in het hectische verkeer rond de luchthaven duiken, Evelien aan het stuur. Zij beslist wolf tussen de (verkeers-)wolven te zijn en boort zich op de rotondes door de files. Aan verkeerslichten treedt een vrouwelijke jongleur op . Verkiezingsaffiches zijn nog niet verwijderd.

Al snel rijden we over de spectaculaire Vasco da Gamabrug, de voorlopig tweede langste brug van Europa (voorlopig=tot Oekraïne er in slaagt de Krim-brug te vernietigen). Verderop is het land “leeg”: kurkeiken wisselen af met olijfbomen en wijngaarden met hier en daar een plek heel brandbare eucalyptusbomen. ‘t Is heuvelend en groen door de vele bomen en struiken maar eigenlijk is het gras dor, geel en droog daaronder.

We lunchen na een half uurtje rijden in het snelweg restaurant van Vendas Novas waar we – om in de sfeer te komen – Bolinhos de Bacalhau en Pastéis de Nata eten. Van daar is het nog een klein anderhalf uur tot Monte de Santa Maria, langs de “Rota dos Vinhos de Alentejo” . De heuvels worden zeldzamer en lager, gemaaide gele graan-stoppelvelden verschijnen, de temperatuur klimt van 26° C in Lissabon naar 37!

Wat een plek is Monte de Santa Maria? Slechts bereikbaar via een 1,7 km lange grintweg, in het begin twee auto’s breed maar al snel versmallend tot amper breed genoeg voor één auto. Hier en daar nog een “Monte” maar de laatste “buur” ligt driehonderd meter van Monte de Santa Maria. We zitten volledig geïsoleerd in de natuur …

Een “Monte” is het Alentejo woord voor “Finca”, een vroegere pachthoeve waar één vijfde van de opbrengst – een finca of “monte – aan de landeigenaar moest worden afgestaan. “Onze” Monte dateert van 1951, gebouwd in de typische Alentejo-stijl: alleen gelijkvloers, traditioneel wit en blauw geverfd, lang woonhuis met drie slaapkamers, vandaag wel met alle comfort, inclusief zwembad, 50 meter van het huis en gelegen op een terrein van 1 hectare.

Onnodig te zeggen dat “de meisjes” (Evelien en dochter Lou) de rest van de dag aan en in het zwembad spenderen. Betty en ik zorgen voor inkopen (in Reguengos de Monsaraz) vooraleer eveneens van de natuur met knoestige, eeuwenoude olijfbomen, de rust, het landschap, de zonsondergang, het zicht op het bergdorpje Monsaraz en het geluid van de cicaden te genieten … uiteraard met een Alentejo-wijntje bij de hand. Met zelfs na het avondeten nog een nachtelijk duikje (Lou en ik) in het zwembad.

Thessaloniki in ‘t heel kort.

10 mei 2024.

In mei kan het flink regenen in Centraal Griekenland, zoals we ondervinden bij het terugrijden naar de luchthaven in Thessaloniki. Blijkbaar is het vannacht hard beginnen regenen, het water stroomt van daken zonder dakgoot. Onderweg druppelt het, giet het en alles daartussen.

Ons bezoek aan Thessaloniki beperkt zich tot de stad inrijden – niet zo moeilijk – en het archeologisch museum bezoeken – nog gemakkelijker. Langs de Leofótis Nikis, de centrale zee-boulevard zien we de Witte Toren en een toeristische “piratenboot”, eigenlijk een varend café.

Het Archeologisch museum is modern en de 4 € gereduceerde prijs meer dan waard. Het deel “Goud van Macedonië” voert ons terug naar het begin van deze reis: Vergina, Pella, Alexander de Grote … de cirkel is rond. Onze reis eindigt hier …

Op zoek naar Theóphilos.

9 mei 2024.

Gisteren in Milies waren we geïntrigeerd door allerlei verwijzingen naar ene “Theóphilos”, een schilder die hier in de Pelion in het begin van de 20ste eeuw zou rond gezworven hebben in traditionele Griekse klederdracht en al schilderend. We gaan naar hem op zoek, of juister gezegd: naar zijn “schilderij-voetsporen”.

Kontos huis.

Voor een schilder komt een vriend-mecenas goed van pas. Giannis Kontos, een rijke landeigenaar was zo iemand voor Theóphilos. In een huis in Anakásia, een eindje de bergen in vanaf Volos, mocht de schilder zijn gang gaan, ten minste op een groot deel van de eerste verdieping. Het Kontos huis is echter goed verstopt voor toeristen. Er is weliswaar een museum-parking aangeduid bij het binnen rijden van Anakásia maar vandaar is het zoeken … Google Maps help! Langs lieflijke steegjes, 500 meter verder, vinden we uiteindelijk toch het Kontos huis. Deur dicht, alleen een werkman te zien die geen woord Engels spreekt maar er snel een collega bij haalt … die ook geen Engels spreekt. Maar hij opent wel de deur en laat ons binnen in het “museum”. Op het gelijkvloers: bijna lege kamers en een keuken van honderd jaar geleden. Op de eerste verdieping: kleurrijke muurschilderingen van Theóphilos, een schilder uit de zogenaamde “naïeve school”! Zie foto’s.

Makrinitsa.

Een eind verder, nou ja op 600 meter hoogte, ligt Makrinitsa, het mooiste dorpje (?) of toch één van de mooiste van de Pelion. Gelukkig is er een parking aan het begin van het dorp en is er nog juist één plaatsje vrij. In Makrinitsa-dorp is er 300 meter hoogteverschil tussen het laagste en het hoogste gebouw van het dorp. Maar de straat vanaf de parking naar het centrale plein is vlak en goed geplaveid. Toeristisch: winkeltjes met kruiden allerhande, opgelegd fruit, prullaria, taberna’s … maar er zijn geen of weinig toeristen, de Paasfeesten zijn voorbij. Eens de hoofdstraat af is het stil en rustig in Makrinitisa. Byzantijns museum binnen wippen (2 € per persoon); ‘t is,een klein maar modern museum EN ze hebben een schilderij van Theóphilos. Op het plein staat een – opnieuw reusachtige – maar dit keer ook holle plataan. Betty speelt er verstoppertje in.

Na het nodige klim- en daalwerk lunchen we op het terras van restaurant Apolafsi met uitzicht op Volos, 600 meter lager; de haven, de rechtlijnige nieuwe stad en de oude stad zijn duidelijk te onderscheiden. Halve liter wijn bestellen: een Kókkino wijn. We toosten … is dit wijn of bessensap? We kijken mekaar aan, proeven nogmaals, twijfelen. Ik kan het de kelner niet vragen! Want ofwel is het echt bessensap en maak ik mezelf belachelijk, ofwel is het wijn en breng ik de kelner in verlegenheid. Domme toerist! Kókkino is gewoon “rood” in het Grieks en Lefkó is “wit”. Toch zweer ik dat de wijn sterkt naar cassis en andere bessen smaakt. 🤣

We rijden terug naar huis, maar per vergissing langs en door het Pelion gebergte, langs Drakea. De weg stijgt met nog een keer 600 meter tot 1.200 meter; de temperatuur daalt navenant van 23° C naar 11° C. Maar wat een spectaculaire rit opnieuw. Een tractor op de weg sleept een boomstam achter zich aan. Iemand leidt een paard met pakzadel de berg op. Een oude zonderling – ‘t zou Theóphilos kunnen zijn – spreekt ons aan bij een stopplaats: hij zeurt in het Engels dat iedereen naar de maan wil en niemand nog tevreden is met “dit” en hij wijst op de bergen rondom. Hier en daar is de helft van de weg in de afgrond verdwenen, of … ligt er een groot rotsblok.

In Kala Nera aan het strand zijn de terrasjes en taberna’s zo goed als leeg. Geen Paasdrukte meer, we kunnen rustig een frappé slurpen.

De zwaluwen vliegen laag vanavond. Onweer op komst?!

Milies en …

8 mei 2024.

… en Vizitsa en Pinakates zouden charmante Pelion-dorpjes zijn. Laten we dat een keer de visu onderzoeken.

Milies.

Milies ligt amper 13 km van ons vakantiehuis, het Pelion-gebergte in. Het wordt gekenmerkt door traditionele huizen met een eerste en/of tweede etage die over de gelijkvloerse verdieping hangt. Via smalle wegjes, ongelijk geplaveid met grote keien, overbrug je de hoogteverschillen, te voet uiteraard. Eerst trekken we naar omhoog voor een overzicht en panorama over Milies en de baai. Het is niet zo zonnig maar wel warm, de klim valt mee. Terug afdalen is moeilijker door de erg ongelijke “plaveien” (als je die stenen uit de antiquiteit zo kan noemen).

Het lokale museumpje is gratis en zeer de moeite, vooral door de enthousiaste mevrouw die in goed Engels over de geschiedenis van het dorp vertelt, over de strijd voor onafhankelijkheid tegen het Ottomaanse rijk, over de bibliotheek die nog steeds 3.000 oude, zeldzame boeken bezit, over de aanleg van een smalspoorlijn naar Volos, de teloorgang van die lijn en … de heropening in 1997 als toeristische attractie.

Dat van die oude boeken is gemakkelijk te controleren: de bibliotheek is 100 meter verder. Inderdaad, in kasten achter glas liggen boeken die er eeuwenoud uitzien.

Pelion-spoorlijn.

Voor die spoorlijn daarentegen moet je meer moeite doen: 500 meter stappen en dalen (=terug klimmen achteraf) via moeilijk begaanbare paadjes. Maar eens aan het oude stationnetje en de spoorlijn is alles OK. Treintjes – nu diesel, vroeger stoom – rijden elke dag in juli en augustus met toersten heen en weer; nu: alleen maar in het weekend. Geen probleem: stappen langs de spoorweg is ook zeer leuk, volledig in de natuur – brem bloeit hier fel – met af en toe een zicht op de baai. We stappen tot aan de ijzeren Chirico-brug (genoemd naar de architect) en keren dan op onze stappen terug. Tijd voor onze meegebrachte lunch aan een waterval in een bocht van de spoorweg.

De grot van Chiron.

In de Griekse mythologie was de wereld onder andere bevolkt met nimfen, cyclopen (éénogige reuzen), titanen, saters, hydra’s, centauren (half mens, half paard) en andere monsterlijke wezens … Centauren waren slechteriken, geweldenaren en woestelingen, altijd belust op gevecht, behalve twee van hen: Pholus in de Peloponnesos en Chiron in het Pelion gebergte. Chiron hield zich bezig met geneeskunde en zou onder andere Achilles en Asklepios (van de esculaap staaf) hebben onderwezen. De grot waarin hij verbleef volgens de Griekse mythologie is hier vlakbij. Nou ja, “vlakbij” = 800 meter stijgen en dalen, weliswaar door een spectaculair landschap vol met olijfbomen. Betty haakt af. Ik zet door maar Betty krijgt gelijk: een grot is een grot, een gat in een berg. Niets anders te zien dan een donkere holte in de rotsen. Of waart de geest van Chiron hier nog rond? Een beetje griezelig hier, zo helemaal alleen in die verlaten, donkere krocht, dus snel terug joggen.

Vizitsa.

Nog twee andere dorpjes staan op het programma, beide een eindje (=paar kilometer) hoger op. Het volgende is Vizitsa, zelfde stijl als Milies. Van op de weg wijst een groot bord je al naar het centrale plein, wat volledig is ingenomen door terrasjes van taberna’s. Maar die zijn grotendeels leeg. Het Griekse verlengde Paasweekend is duidelijk voorbij.

Pinakates.

Pinakates is het laatste dorpje, ook weer pittoresk in dezelfde stijl als haar twee buren. Hier valt onder andere de reusachtige plataan op het centrale plein op met een stamomtrek van naar schatting minstens 8 meter. Die kerel moet een paar honderd jaar oud zijn. Ook in de andere dorpen bewaken reusachtige platanen het dorpsplein. In Kala Nera vielen ook de reuze eucalyptusbomen op. Met verder overal olijfbomen en kastanjebomen is de Pelion is een waar bomen-paradijs.

Redelijk “uitgeteld” keren we terug naar Ano Gatzea en ons vakantiehuis. Na een bewolkte dag, met toch 25° C, breekt de zon nog door de wolken. Ideaal om er horizontaal van te genieten met een olijfje en een Satyros wijntje.

P.S. Je kan ook met de auto van het centrum van Milies naar het stationnetje, maar dat is voor “watjes” 😀.

Yássas in Kala Nera.

7 mei 2024.

Yássas, iedere Griek die we ontmoeten begroeten we met Kalimera (goede morgen) of Kalispera (goede … al de rest van de dag) en zij zeggen meestal yássas, gewoon “hallo”. Doen we vanaf nu ook.

De kerkklok van Ano Gatzea loopt 7 minuten voor: om 8u53 slaat de klok 9 uur. De tijd lijkt hier op een ander ritme te tikken voor de lokale Grieken – traag, bedaard, monotoon, eentonig (?) – dan voor de toeristen: (te?) snel, opgejaagd, spannend, opwindend (?). Her en der hangen affiches met overlijdensberichten op telefoon- en elektriciteitspalen. Sterker gemeenschapsgevoel.

Vanuit Villa Ioanna in Ano Gatzea is het maar 5 km ver tot Kala Nera – een toeristisch badplaatsje aan de Pagasetische golf. Niet nodig om er met GPS naar toe te rijden. Denken we … want in plaats van af te dalen naar de kust rijden we per vergissing het Pelion (of Pilion) gebergte in. Niet getreurd en niet terugkeren! De panorama’s van de baai, de kruidengeur, het insectengezoem, de zon en de temperatuur (22° C) maken deze rit onvergetelijk. We stoppen tientallen keren, bij elk nieuw uitzichtpunt. Ook een tegenligger stopt: een Griek steekt zijn hoofd uit het raampje en vraagt in het engels waar deze weg naar toe leidt: naar Gatzea, alstublieft. Even verder op een uitzichtpunt maken we kennis met een andere groep Grieken waarvan de dames in Duitsland geboren zijn. “Wir sind von Belgien, und Sie?” “Von Volos …” dat is zo’n 20 km van hier.

Nog verder na een bocht in de weg staan tientallen en tientallen auto’s langs de kant van weg geparkeerd. Hier is iets gaande! Stoppen en uitstappen. Er staat een soort van Souvlaki-food-truck waarvan het personeel ons toewuift en uitbundig met “yássas” begroet. De brochettes geuren al heerlijk op de grill. Tientallen Grieken drommen samen rond een klein kerkje. Dat blijkt stampvol te zitten. Duidelijk een viering aan de gang. Die van 1 mei (?) want omdat het orthodoxe Paasfeest op 5 mei valt, wordt 1 mei dit jaar op 7 mei gevierd 😳.

Kala Nera.

Druk stadje met tientallen restaurants en bars aan de rand van de zee; een eindje verderop een kiezelstrand, veel toeristen, vooral Griekse dan. Vanaf 11 uur kan je hier eten, de hele dag, ongeacht het uur, vermoedelijk tot middernacht? Wij doen de bakker aan: kaneelkoekjes, kriekentaart en oh ja ook nog brood.

Deze namiddag doen we wat Grieken ook goed kunnen: luieren in de zon! Eindelijk een echte rustdag.

Kato Gatzea.

Laten we toch maar gaan aperitieven: aan het strandje van Kato Gatzea (= het oude Gatzea). Hier zijn minder bars en restaurants dan in Kala Nera maar het is er toch ook druk. Opnieuw zijn het vooral Grieken: buitenlandse toeristen zijn te herkennen aan de short van de mannen (ikzelf inbegrepen 🤣). Grieken lijken alleen maar lange broeken te dragen. We wachten heel lang op ons aperitief , een gewoon Mamos biertje en een vers geperst fruitsap… ondertussen mensje kijken, zeetje kijken, de acrobatieën van de roodstuitzwaluwen bewonderen … toerist zijn.

P.S.: Ongenode gast vanavond: een spinduizendpoot in het bad.

Nog P.S.: de Franse veldwespen van gisteren laten ons inderdaad met rust.