Tom, number 6.

Een croissant, een stokbroodje, twee pannenkoeken, fruitsapje: een Frans ontbijt in de hoofdstad van Cambodja! De Franse invloed is nog overal te merken: in de namen van cafés en restaurants, in de aangeboden menu’s, in de bouwstijl. Sommige oude huizen lijken zo weggeplukt uit de Provence.

Twee in oranje habijt geklede monniken met parasols staan aan de deur van het hotel-restaurant. Één van de kelners rept zich met een paar bankbriefjes naar hen toe, stopt het geld in de bedelzak van de monniken en gaat geknield zitten. De monniken bidden een paar ogenblikken en trekken dan verder …

Tom, n° 6. 

Gisteravond sprak een tuk-tuk chauffeur ons aan. Eigenlijk spraken er velen ons aan met de vraag “Need tuk-tuk?” Maar deze ene stelde zich voor als Tom, n° 6 en, toevallig, zijn standplaats was aan ons hotel, de White Mansion. Achteraan zijn kar met nummer 6 prijkte een groot White Mansion-reclamebord. Wat we ook zouden willen doen de volgende dag, hij zou ons oppikken aan ons hotel. Iedereen zou hem daar trouwens bij naam kennen. “See you tomorrow at nine” zei hij nog. En inderdaad, deze morgen staat hij met zijn kar paraat. Alhoewel, “paraat”? Even later staan we reeds aan een soort “tuk-tuk herstel shop”. Wat ook het euvel is, het is snel verholpen.

We rijden langs statige en propere lanen, de Sihanouk Boulevard met het onafhankelijkheidsmonument en het standbeeld van de vorige koning, Norodom Sihanouk. Een brugje over en we belanden op Koh Pich, het diamanteiland. ’t Is een moderne wijk, nog in volle aanbouw en ongelooflijk netjes. Een heel ander facet van Phnom Penh dan gisteravond krijgen we hier te zien! Tom voert ons verder langs de Sisowath kaai die begint waar de Tonlé Sap rivier uitmondt in de Mekong.

Onafhankelijkheidsmonumet: grote bruinrode toren.

Stoppen tegenover het koninklijk paleis en uitstappen voor foto’s. Druk, maar het plein voor het paleis is immens groot, dus geen erg. Op de kade “verkopen” Cambodjanen vogeltjes. Bedoeling is dat de koper die onmiddellijk vrij laat: een garantie op geluk en goed karma! Het gerucht gaat dat de vogeltjes gedrogeerd zijn en een paar minuten later alweer kunnen gevangen worden. Waar of niet waar?

Koninklijk paleis in wit en geel.

Vogelverkoper met twee kooien met vogeltjes en potentiële klant.

Wat Phnom.

Tom voert ons verder langs de rivier tot aan de Phnom Penh Night Market – leeg uiteraard op dit uur – en duikt dan weer de stad in langs een paar oude huizen, sommige vervallen, sommige prachtig gerestaureerd, in Franse koloniale stijl. Onder andere het postgebouw is zo’n mooi exemplaar. Of nog: het Raffles hotel.

Interieur van Wat Phnom tempel met boeddha beelden.

Wat Phnom: de tempel op de berg. Hier is volgens de legende de stad ontstaan en installeerde ene mevrouw Penh vier boeddhabeeldjes die ze aan de oever van de Mekong had gevonden. Tegenover de heuvel met boeddhistische tempel staat een grote, oude boom vol met … vleermuizen! Nu even schoenen uit en binnenin de tempel de sfeer opsnuiven van brandende wierookstokjes en biddende gelovigen voor verschillende boeddha-beelden, alvast meer dan de vier van mevrouw Penh!

Klein versuft grijs vogeltje.

Op de trappen van de heuvel zit een klein vogeltje. Ik kan het diertje zomaar vast pakken. Dus waarschijnlijk toch gedrogeerd? Ik zet het versufte vogeltje op de hand van een passerend klein meisje. Hopelijk schenkt het haar een lang leven en goed karma. Helaas, maar vermoedelijk pakken de vele vogelverkopers het beestje snel terug …

Van alle markten thuis.

Tijd nu voor bezoek aan Psar Thmei, letterlijk “de nieuwe markt”, maar iedereen noemt dit de centrale markt. Gehuisvest in een okergeel art-deco gebouw met één van de grootste zelfdragende koepels ter wereld. Rond en binnenin het gebouw kan je zowat alles kopen, van kleren over groenten, fruit, vis, vlees, elektrische apparaten tot juwelen en “edelstenen”. We tonen interesse voor een doosje met robijnen en een ander met saffieren. De verkoopster, al snel bijgestaan door een mannelijke collega, legt ons uit dat dit echte robijnen zijn. Kijk want ze kan er glas mee krassen. En kijk: een apparaatje geeft aan dat dit een edelsteen is. Prijs: 30 $. Voor die prijs, nee dat kan niet zijn. En voor twee? Dan wordt het in totaal 50 $. We wandelen weg. De verkoper roept ons nog achterna “Hoeveel willen jullie er dan wel voor geven?”

Beige koepel van de centrale markt in Phnom Penh.

Tijd voor een espresso in het trendy MK Café Mondulkiri. Verwacht hier het onverwachte: bij onze espresso krijgen we eveneens een tee geserveerd! Op naar de laatste markt van de dag in een heuse tropische plensbui: de Russische markt! Zo genoemd omdat je hier in de jaren tachtig van de vorige eeuw vooral Russische  producten kocht. Nu vind je hier zowat van alles maar vooral toch toeristische souvenirs. Tom zet ons af en moet ondertussen opnieuw naar de tuk-tuk garage voor grondiger herstelling.

De kraampjes in en rond de markthal staan dicht opeen gepakt. Het is er verstikkend warm. En druk! De vis- en vleesstalletjes ruik je al van ver. Regelmatig moeten we even naar buiten: adem happen. Je kan hier ook je haar laten knippen, je nagels verzorgen, inclusief teennagels of een hand- of hoofd- of voetmassage boeken.

Viskraam met gedroogde vissen in verschillende kleuren.

Onze rondrit van vier uur, 15 $, zit er bijna op. Tom maakt al afspraak voor morgenochtend. We willen koninklijk paleis, zilveren pagode en nationaal museum doen. En vroeg vertrekken, 8 uur? “See you at 8u30” zegt Tom. Dat zien we nog wel.

Apsaras. 

Twee Apsara danseressen.

Na een kort namiddagje aan het zwembad hebben we om 7 uur ’s avonds afspraak in het Nationaal Museum voor een dansvoorstelling door Cambodian Living Arts De genocide uit de vorige eeuw heeft 90 % van alle kunstenaars in Cambodja uitgeroeid. Cambodia Living Arts probeert enerzijds de oude tradities in ere te herstellen en anderzijds een nieuwe generatie kunstenaars en artiesten – vooral dansers en muzikanten – te stimuleren. We bewonderen verschillende dansen in kleurrijke, traditionele klederdracht. Hoogtepunt is het optreden van de apsaras, goddelijke danseressen … net zoals op de bas-reliëfs in Angkor Wat.

Vier Apsara-danseressen.

Na de voorstelling voert onze tuk-tuk, nee niet die van Tom, n° 6 maar wel n° 7, lucky number, ons naar Il Forno, Italiaans restaurant in Phnom Penh. De bruschetta, gegrilde groenten en pizza’s smaken. Vooral wanneer ze worden begeleid door een lekker Italiaans wijntje. Nummer 7 wacht trouw op ons en voert ons terug naar de White Mansion. De chauffeur vraagt ons wanneer we morgen opnieuw op stap gaan. Waarschijnlijk 8u30. Hij zal er zijn … morgen een dispuut tussen n° 6 en n° 7? Ben ik niet te veel fooi aan ’t geven?

Chaos in Phnom Penh.

Jan, de Nederlandse eigenaar van Battambang Resort doet ons vanmorgen uitgeleide. Hij heeft auto met chauffeur geregeld naar Phnom Penh. Een Lexus! In elk geval veel comfortabeler dan het gammele wrak waarmee we hier zijn aangekomen. Toch stoppen we weer bij het eerstvolgende tankstation om te tanken en … ook vracht mee te nemen: twee grote kartonnen dozen. Kan er nog bij in de koffer. ’t Is een kleine 300 km tot de hoofdstad, dus ongeveer 6 uur rijden. En de rit verloopt vlot. Enige kleine ergernis is dat de chauffeur 1) alleen maar Khmer spreekt en 2) voortdurend luidruchtig zijn snot opslurkt (in Cambodja wordt het gebruik van een zakdoek als vies beschouwd). En verder rijstvelden, rijstvelden en nog eens rijstvelden, afgewisseld met drukke dorpjes.

We lunchen in Kompong Chhnan, ’s middags na 2/3 van de weg te hebben afgelegd. In een “restaurant” – een hangar eerder – langs de weg, waar je zonder Khmer begeleider niet binnen zou gaan. Maar het moet gezegd, het eten is zoals gewoonlijk lekker (en kost ons amper 11 $ voor twee).

Phnom Penh binnen rijden vanuit het noorden is een hallucinante ervaring. Er zijn kilometerslange wegenwerken aan de gang. We zigzaggen doorheen een stofwolk en een file. Mensen lopen, of rijden op brommertjes, met stofmaskers aan. Langs beide kanten van de weg zijn winkeltjes onder het stof, werkplaatsen onder het stof, restaurants onder het stof. Hier en daar probeert iemand vruchteloos het stof te blussen met een waterslang. Wat een chaos!

Op de klok af zes uur na ons vertrek arriveren we in de White Mansion, ons hotel voor de volgende drie nachten. Vanop de vierde verdieping “bewonderen” we de “skyline” van Phnom Penh: minstens tien buildings in aanbouw. Er wordt tot ’s avonds laat aan doorgewerkt. Een stad die uit haar voegen barst.

Verschillende buildings in aanbouw in groen plastic verpakt.

Zullen we nog even een klein wandelingetje doen in de onmiddellijke omgeving van ons  hotel? Geen goed idee: er zijn amper voetpaden. En waar die er zijn, worden ze ingenomen door auto’s, in driedubbele file geparkeerd. Of door kraampjes – één daarvan verkoopt gegrilde kippenpoten, nee, geen kippenbillen maar kippenpoten – of door tuk-tuks. Oversteken van sommige straten is een schier onmogelijke opdracht: de constante stroom van auto en brommers houdt niet (nooit?) op. We belanden op een groot plein … aan het koninklijk paleis? Niet zeker. Vissen we morgen wel uit want de zwaar bewolkte lucht loost zijn eerste zwoele regendruppels!

Tientallen motorrijders aan zebrapad.

Terug naar de White Mansion. Een kruispunt raken we pas over na dat een tuk-tuk chauffeur ons toeroept om naast hem te stappen als hij ogenschijnlijk roekeloos dwars door het verkeer laveert. Adrenaline stroomt! Opnieuw: wat een chaos! ’t Is nu duidelijk: Phnom Penh is niet te voet te behappen. Morgen nemen we een tuk-tuk.

Dineetje in Franse stijl in Khéma, restaurant net om de hoek van ons hotel, sluit deze “heftige” dag af.

Street food.

Battambang is het “diepe Cambodja”, dat wil zeggen: kleine provinciehoofdplaats van een overwegend agrarische streek. We kiezen voor een rondrit – uiteraard met tuk-tuk, wat anders? – naar en door omliggende dorpjes. DE toeristische attractie, de “bambootrain“, laten we links liggen want vermoedelijk toch een toeristenval.

Potten bakken.

Onze tuk-tuk chauffeur/gids brengt ons om te beginnen naar een noordelijke buitenwijk van Battambang, naar een pottenbakkerij. Niets toeristisch of promotioneels aan. Vergeet potjes als souvenirs kopen: er wordt hard gewerkt aan het semi-handmatig boetseren van identieke potten met behulp van gerecycleerde olieblikken. Niemand kijkt van zijn werk op! De potten drogen in de zon. Daarna verhuizen ze naar een grote open oven waarin ze uiteindelijk gedurende twee weken zullen “gebakken” worden. Dan moet de oven nog eens twee weken afkoelen. De werkomstandigheden lijken 19de eeuws (en zijn het waarschijnlijk ook).

Twee gehurkte mannen boetseren kookpot.

’t Zijn traditionele “kookpotten” die worden gemaakt, dat wil zeggen: potten waarop, niet waarin, een doorsnee Cambodjaans plattelandsgezin zal koken. De pot is “ontworpen” om met houtskool, of hout gevuld te worden. Bij dagelijks gebruik gaat ie twee jaar mee. Maar d’er is opkomende concurrentie van gasvuurtjes … We rijden verder naar het noorden. Langs en verschillende malen over de Sangker rivier. Wegjes van rode aarde door tropisch oerwoud …

In één van dorpjes is het marktdag. Of misschien is het wel dagelijks markt? ’t Is er in elk geval een gezellige drukte. EN kleurrijk: op de grond stallen tientallen verkoopsters hun groenten, fruit of vis uit. Onze tuk-tuk gids leidt ons er langs en geeft aanschouwelijke uitleg. Hij neemt overal een vrucht of een groente vast, pulkt er een stukje van of vermorzelt een blaadje, laat ons ruiken, verklaart waarvoor het wordt gebruikt en waarom het gezond is. Helaas, van de tientallen namen onthou ik er niet één. Dan een viskraam. Hoewel, “kraam” is een te groot woord voor het op de straatkant uitstallen van manden vol levende krabben, bergen garnaaltjes, torens grote huisjesslakken en potten met – ook weer levende – meervallen en slangenvissen. Het maakt allemaal een overweldigende indruk.

Kleurrijke groenten uitgestald.

Zittende visverkoopster tussen vissen.

Krabbetjes en verschillende soorten schelpen.

Schotel met een soort bruine balletjes als voedsel.

We zijn nog maar pas een kilometer of zo verder of onze tuk-tuk chauffeur stopt alweer. Bij een eenzaam kraam tussen de weg en een klein riviertje, in de schaduw van tropische bomen, lijkt een oud vrouwtje bezig met bamboebuizen op een vuur te “grillen”. “Ze maakt sticky rice”, verklaart de gids. “You want to eat?” Hmm? Rijst met cocosmelk, bruine bonen, zout en suiker wordt in een 30 cm lange bamboebuis gestopt en verwarmd op de grill. De rijst wordt op die manier zachtjes gegaard. Kan niet slecht zijn! Dus inderdaad: afstappen van ons voornemen om geen “street food” te eten en toch een kleine bamboestok bestellen. Kost 1.000 riel, zowat 50 eurocent! Heerlijk! En heeft ons ook achteraf geen last bezorgd.

We tuk-tukken verder door het oerwoud. Af en toe stoppen we bij een “huis waar iets te beleven is” – altijd een houten paalwoning met één verdieping; de bewoners leven en werken samen overdag op de open gelijkvloerse verdieping en’s nachts trekken ze naar boven. En dat “iets te beleven is” bij voorbeeld:

  • bereiden en drogen van rijstpapier voor onder andere “wraps” of “rolls” of loempia’s;
  • bananen flinterdun snijden en één dag drogen in de zon;
  • rijst bewerken tot noodles.

Drogende rijst-wraps onder open afdak.

Vrouw maakt rijstnoedels.

Aan één van de vele bruggetjes over de Sangker maakt een bedrijfje op “ambachtelijke wijze” Cambodjaanse vispasta op basis van gefermenteerde vis. Nog voor de brug kan je al ruiken dat er hier met vis gewerkt wordt. Buiten wordt een berg visafval met een grote schop in een kleine mechanische maalmachine geschoffeld. Resultaat: er komt een mortelachtige specie uit die in grote emmers wordt opgevangen. Alleen maar voor veevoeder, verklaart onze gids. Binnen onder de open hangar is het echter niet beter en zeker niet properder. Een bijna niet te harden stank; grote bakken met gezouten “fermenterende” (half-rotte?) vis; hier en daar kronkelt een worm over de vispasta; met houten spanen worden sommige bakken opgekoterd; kippen scharrelen tussen de vaten door; kortom: hallucinant! Wel vertelt de gids dat de Battambangers, de stadsmensen hier niet meer kopen; dat ze industrieel en hygiënischer geproduceerde vispasta verkiezen … Hoe zou dat komen?

Maalmachine voor vis.

Hangar met blauwe vaten vis en visafval.

Berg kleine visjes met scharrelende kip.

Een volgende stop is dan weer “interessanter”: een oude opa brouwt met zijn familie rijstwijn. Hij spreekt Frans en legt ons trots zijn productieproces uit. Primitief en arbeidsintensief maar het resultaat mag er zijn. ’t Proefglaasje vloeit vlot en warm naar binnen. En zoals steeds gaat hier niets verloren: de rijstoverschot van het productieproces wordt ’s avonds aan de varkens gevoerd. “Mes cochons dorment bien le soir” lacht de oude stoker. Of hij een licentie heeft of moet hebben voor zijn stokerij. Nee, hij heeft er geen …

Ook hier is de herinnering aan de genocide nooit veraf. Een monument – opnieuw met schedels – herinnert er aan.

Wat Ek Phnom.

We komen bij een oude tempel, de Wat Ek Phnom. Maar we zijn in Angkor geweest, met andere woorden niet meer onder de indruk van deze ruïne. Maar fotogeniek is het hier wel. Getuige: een opgedirkt bruidspaartje met hun fotograaf. Voor de Wat Ek Phnom is een nieuwe boeddhistische tempel gebouwd. En iets verderop een reusachtig boeddhabeeld. Maar het is tijd (middag) om terug te keren. Langs de rivier doorheen Battambang. Zo krijgen we nog een kijkje op de stad: op het eerste zicht rustiger, gemoedelijke en sympathieker dan het nerveuze Siem Reap.

Twee torens van oude tempel, deels overgroeid.

Groot Bouddha-beeld voor hangar met golfplaten dak

Battambang straat met groot wit gebouw.

Bijna zijn we terug in Wat Ko, het dorpje waar Battambang resort ligt. Toch moeten we nog één iets bezichtigen: een oud houten huis van een vroegere aristocratische familie. De huidige bewoonster stelt haar huis open en leidt toeristen rond. Prachtige houten vloeren, alleen op blote voeten te betreden! – en zware teakhouten meubelen. Wat een contrast met de vele houten barakjes op palen langs en in de dorpen.

Interieur met houten meubels.

Deze namiddag: platte rust aan het zwembad. Bekomen van de vele indrukken en emoties van de laatste dagen. En nog wat genieten van de natuur want … binnenkort op naar Phnom Penh.

Killing Fields in Battambang.

Armbandjes van lipjes van drankblikken. Hier en daar aan kraampjes, staan in Cambodja bakken met aluminium opening-lipjes van bierblikjes. Waar kan je dat in ’s hemelsnaam voor gebruiken? Om sieraden te maken! Sokun Ang doet ons deze morgen elk een armband om, gemaakt van die alu-sluiting-lipjes. ’t Is tijd om afscheid te nemen en – voor ons – om verder te trekken naar BattambOng, eigenlijk Battambang maar wordt in Khmer taal BattambOng uitgesproken. De auto staat al klaar. Nog een groepsfoto, veel gewuif, en we zijn vertrokken.

Van Siem Reap naar Battambang. 

Yun Channy, zo heet de chauffeur, is al onmiddellijk geïnteresseerd in waar we na Battambang heen trekken. Hij rijdt namelijk ook naar, bij voorbeeld, Phnom Penh – kost 75 $. Zijn aanbod zullen we zeker NIET aannemen want … Eens Siem Reap centrum gepasseerd stopt hij en worden onze valiezen zomaar snel overgeladen in een andere auto. Of beter gezegd in een “bijna wrak”! We worden verzocht over te stappen: de broer van Yun Channy zal ons naar Battambang rijden in een geblutste witte auto van ongedefinieerd merk. De overtrekken van de achterbank lijken minstens zeven keer hersteld te zijn en de bank zelf is tot op de draad versleten. De binnenbekleding van het dak hangt met wasspelden vast en de kilometerteller staat op 562.341 km! Dat is fout want de teller beweegt niet tijdens de rit. Anderzijds: de auto rijdt en de motor lijkt nog goed te draaien ook, waarschijnlijk al drie keer vervangen. De broer van Yun spreekt geen woord Engels. Ook “toilet” of “stop” verstaat hij niet.

Halfweg de drie uur durende rit – die al bij al toch redelijk vlot verloopt – wordt hij gebeld door Yun. De chauffeur geeft me zijn mobiele telefoon door, een Nokia “van voor de oorlog”: of we een keer moeten stoppen vraagt Yun aan de telefoon. Nee, nee: doorrijden. Iets na de middag arriveren we in Battambang Resort zonder problemen. Maar toch geen fooi voor deze chauffeur!

Killing Fields. 

Battambang ligt in de “rijstkom” van Cambodja, een vruchtbare streek die rijst in overvloed produceert. Bijna de hele weg hier naartoe reden we trouwens door eindeloze groene rijstvelden. Dat wordt dus voornamelijk platteland exploreren. Deze middag beginnen we met een bezoek aan Phnom Sampeu of “zeilbootberg”: 250 meter klimmen. Onze tuk-tuk chauffeur blijkt een overlever te zijn van het schrikbewind onder Pol Pot en een uitstekende gids en verteller. Na vijf dagen cultuur en idyllische natuur worden we plots geconfronteerd met het harde recente verleden van Cambodia. Willens nillens duiken de beruchte “Killing Fields” op. Onze gids was 11 toen zijn wereld plots veranderde: ineens geen school meer – hij toont ons het verlaten oude houten schoolgebouwtje. Van een gezin met vader, moeder en vier kinderen overleefde alleen zijn jongste zusje en hijzelf de gruwelen. Scheurbuik gehad, bijna verhongerd, ziek … vreselijke verhalen.

Houten schoolgebouw op palen.

Helaas wordt het nog erger en aanschouwelijker wanneer we de berg op wandelen. Op de eerste piek van Phnom Sampeu staat een boeddhistische tempel, kitscherig zoals gewoonlijk. Maar de tempel diende ook als gevangeniscentrum en ondervragingscentrum tijdens het Pol Pot regime.

Kleurrijke ingang van boeddhistische tempel.

Niemand uit het dorp waar onze gids toen woonde mocht de berg op. Of … als je er op mocht of moest, kwam je meestal niet meer terug. En een beetje verder zijn grotten. Op de rand daarvan werden mensen doodgeknuppeld en naar beneden geduwd. In de grot staren schedels je nog altijd als stille getuigen aan.

Onze gids vertelt dat het hem jaren heeft gekost vooraleer hij – na de oorlog – de berg op durfde te gaan. Als tuk-tuk chauffeur zette hij de toeristen beneden af en wachtte ze daar weer op. Uiteindelijk, door veel te lezen over die genocide, beseft hij dat het beter is te spreken en te getuigen dan te zwijgen. De doden zwijgen immers reeds voor altijd ….

Gouden Boeddha-beeld met parasol.

Even verder ligt een tweede top van de Phnom Sampeu: een rommelig allegaartje met een pagode, een Russisch stuk veldartillerie, een betonnen begrafenistoren, wat rommel her en der. Het uitzicht over de door de avondzon verlichte bergen en de vlakte bij zonsondergang maakt wel een deel goed. Terug dan te voet naar beneden waar onze tuk-tuk staat. We moeten wel goed uitkijken voor de apen in de boomtoppen. D’er is er één die op de heenweg een kokosnoot een paar meter voor ons naar beneden gooit!

Zwerm vleermuizen in blauwe avondlucht.

Vleermuizen. 

Maar er is nog een attractie: aan de voet van de Phnom Sampeu ligt de “bat cave”, een grot waar bij valavond – nu dus – vleermuizen massaal naar buiten komen. En inderdaad, een paar minuten voor 6 uur komen de eerste hordes buiten. Tienduizenden, nee honderdduizenden vleermuizen die als één groot, langgerekt lint de nacht in vliegen. Minuten en minuten lang. Eigenaardig en indrukwekkend natuurfenomeen. Achteraf moeten de tientallen toeristen – waaronder wij – terug met hun tuk-tuks naar hun eigen slaapplaats. Tientallen en tientallen tuk-tuks (de meeste zonder achterlichten!) en auto’s rijden terug langs een niet verlichte weg, richting Battambang. Gek menselijk fenomeen!

Moonlight serenade.

Een uur afspreken in Cambodja is alleen richtinggevend, geen precieze afspraak. Mister Krie daagt kwart na negen op, na een telefoontje van Sokun Ang. Geen erg. “Go with the flow”.

Roluos. 

Onze laatste dag van ons 3-dagen-Angkor ticket willen we gebruiken om de oudste en weinig bekende tempels van de Angkor-beschaving te bekijken. In Roluos, 16 km ten oosten van Siem Reap. De weg voert doorheen de rijstvelden vooraleer op het einde weer het oerwoud in te duiken. Langs de weg staan tientallen primitieve barbecue stalletjes. Ondanks het ochtendlijke uur wordt er reeds flink gebakken: brochettes en “plat geklopte kip”. Andere kraampjes verkopen “van alles”, onder andere herbruikte smerige plastic flessen met brandstof voor brommertjes en tuk-tuks.

Drie bruinrode torens van Khmer-tempels.

Preah Ko is de eerste tempel die we bezoeken, een gebouw uit het einde van de 9de eeuw, het begin van de Angkor beschaving. Zes torens in baksteen staan niet-symmetrisch op laag terras. De toeristische drukte van Angkor Wat en Angkor Thom is hier ver te zoeken. Maar de broeierige warmte is identiek aan die van gisteren. Dat wordt opnieuw zweten!
De volgende wordt de Bakong tempel.

Koper-verkoper onderhandelingen.

Via een aarden pad met aan weerszijden water – restanten van de tempelvijver die het hele complex omringde – komen we aan de eigenlijke ingang. Langs de rechterkant staat een “moderne” boeddhistische tempel, het summum van kitsch.

Nieuwe boeddhistische tempel met pagode daken.

Langs de linkerkant een klein kraampje in de schaduw van een boom. Twee jongetjes, vermoedelijk niet ouder dan acht bewerken leder met een houten hamer en beiteltje. Ze tekenen gestileerde figuren en beitelen die voorzichtig uit. Uiteraard klampt de verkoopster ons aan: 25 $ voor een figuur van een boom, uitgesneden in leder. Mooi, maar … we willen Bakong bezoeken. We wandelen weg … waarop de prijs meteen tot 20 $ zakt. “Nee nee, straks misschien als we terugkeren”. “Maar zijn we wel zeker dat we langs dezelfde uitgang terugkeren?” vraagt de diep bezorgde Cambodjaanse, zusje van de piepjonge kunstenaars?  Zeker!

Lederen bewerkte lap met werktuigen.

De Bakong is een hoge trap-piramide: vijf verdiepingen. Geen lachertje onder de tropische zon. Stenen olifanten bewaken de hoeken van de eerste drie plateaus. De centrale toren is in typische grijze zandsteen gebouwd. We blijven lang hierboven zitten, langs de noordzijde, d.w.z. schaduwzijde en kijken uit over het dichte oerwoud. Terug naar beneden. Plots komen we hier de twee piepjonge lederartiesten van daarnet tegen. “Bye madaaam, bye sir”, zeggen ze vriendelijk. Achteraf blijkt dat ze kwamen controleren of we nog in de tempel waren en er niet stiekem langs een andere uitgang van onder waren gemuisd. Nu naar beneden en nog even verpozen in het gras EN in de schaduw en van hieruit de tempel bewonderen.

Groot, grijs tempelcomplex.

Terug van waar we gekomen zijn. Natuurlijk worden we al van ver luidruchtig begroet en aangeklampt door de verkoopster. Betty wil eigenlijk een gestileerde boom in zwart leder maar er lijkt alleen maar bruin leder te zijn. Dus wandelen we weg … waarop de prijs tot 15 $ daalt! Maar nee, de verkoop lijkt niet te lukken. De verkoopster geeft niet op. Uiteindelijk zeg ik dat we niet gaan kopen want we wilden een boom uit zwart leder. Ho maar geen probleem: haar zuster brengt die onmiddellijk na een telefoontje.  We moeten maar 5 minuten wachten. Zeker? Dezelfde boom in zwart leder?  Zeker! En inderdaad, een kwartiertje later wandelen we weg met een origineel souvenier verpakt in een rol van gedroogde rietbladeren aan 15 $. De verkoopster heeft ons uitbundig bedankt! Haar winstmarge zal niet in gevaar geweest zijn.

Angkor Panorama Museum.

Je zou het niet verwachten in Cambodja maar hier staat een gloednieuw museum, geopend in 2015 en gefinancierd door … Noord-Korea: het Angkor Panorama Museum. Een toegangskaartje kost 20 $ per persoon, op het ticket zelf staat 15 $, maar omwille van het waterfestival, betalen we uitzonderlijk 14 $ per persoon. Voor die prijs worden we rondgeleid door een persoonlijke gids.

De geschiedenis van Angkor wordt belicht. Er zijn maquettes van hoe de voornaamste tempels er moeten hebben uitgezien – leuk, want we herkennen er veel van. En er is het panorama! In een cirkelvormige zaal, omtrek een kleine 122 meter, waan je je plots in het midden van het levende Angkor. Een combinatie van decor en beschildering lopen naadloos in elkaar over. Zo maar eventjes 45.000 menselijke figuren zijn geschilderd, uiteraard door Noord-Koreaanse artiesten maar op basis van foto’s van de huidige inwoners van Siem Reap. De scènes zijn gebaseerd op terug gevonden historische teksten met toch één loopje met de geschiedkundige realiteit: de vrouwen zijn met zedig bedekte borsten geschilderd!

Ten slotte geeft een 20 minuten durende animatiefilm inzicht in de Khmer bouwtechnieken van die tijd. En de airco in het hele museum is een plus. Alleen … STRENG VERBODEN foto’s te nemen.

Siem Reap.

Van Siem Reap hebben we nog niet veel gezien behalve waterfestival-drukte. Dus vragen we mister Krie om ons bij Psar Chas, de oude markt af te zetten. Alles straalt hier toerisme uit: elk huis is een bar of restaurant of winkeltje of souvenir-shop of massage-salon. De huizen zouden hier nog een typisch Frans-koloniale sfeer uitstralen. Daarvan is weinig te merken: de benedenverdieping is overal verbouwd en verborgen met allerlei “aanhangsels” terwijl de gevels dikwijls schuil gaan achter reclameborden of een spaghetti aan elektriciteitskabels. Een late lunch, Khmer soep met kip of varkensvlees, en dan terug naar “huis” voor een verfrissende plons in het zwembad.

Drukke straat met veel elektriciteitsdraden.

Moonlight dinner.

Sokun Ang heeft ons uitgenodigd voor een “Moonlight dinner”, dat wil zeggen op het dakterras, onder de sterrenhemel bij – speciaal heldere – volle maan. We worden verwelkomd met Cambodjaanse muziek. De echtgenoot van Sokung Ang is DJ van dienst, een heel inventieve zoals later zal blijken. De drie kindjes, 4, 6 en 8 jaar, brengen traditionele Cambodjaanse dansen … Alleen voor ons want we zijn nog steeds de enige gasten. Dan volgt er een copieus vier gangen menu: een sterk aromatische salade, vis met 7 kleuren, moringa soep met kip en fruit als nagerecht.

De DJ reikt ons een blanco blad papier en pen aan. Welke muzieknummers zouden we graag horen? Euh … even nadenken …  “Imagine” van John Lennon, “Nine million bicycles” van Katie Melua en “Je t’aime, moi non plus” van Jane Birkin en Serge Gainsbourg. We worden aangezet tot slowen op de tonen van “Imagine all the people, living …”. Dan luisteren we naar Katie Melua. Maar het zuchten en steunen van Birkin en Gainsbourg is misschien iets te gewaagd voor het nogal preutse Cambodja? OK, de DJ even testen. Kan hij “Als de zomer weer voorbij zal zijn” van Will Tura en Triggerfinger terug vinden. Even later klinkt de stem van Will Tura over de nachtelijke Cambodjaanse rijstvelden. Nog eentje dan. Toepasselijk: “Moonlight serenade” van Frank Sinatra.

Dan is het tijd voor een paar lessen lokale traditionele dansen met een deel van het personeel en onder leiding van Sokun Ang. De ene dans blijkt al moeilijker dan de andere. Niet alleen de voeten moeten bewegen, maar ook nog een keer de handen en armen. En het is zo broeierig warm. Maar wel speciaal, twee Belgen in Cambodja op een maanverlichte nacht, dansend met de “locals” … Imagine!