Wheal Martyn.

1 mei 2025.

De zee is metaalblauw; er zijn wolken, een omfloerste zon en weinig wind. Ideaal om te joggen. Dat lijkt hier trouwens een nationale sport te zijn: ondanks het vroege uur (7u15) passeren me vijf lopers/loopsters (of lopen me voorbij 😜).

Vandaag kiezen we een wandeling aan de zuidkust uit, in Charlestown. Net buiten Newquay rijden vijf amazones – Engelsen hebben niet alleen iets met honden maar ook met paarden. Auto’s blijven gedisciplineerd achter de paardengroep. Met haar rijzweep geeft de voorste amazone de richting aan … interessant om zien, vooral bij een rotonde.

Wheal Martyn.

Een tiental mijl vóór Charlestown wijst een toeristisch bord naar Wheal Martyn, een “China Clay museum”. We besluiten “even snel” een kijkje te nemen. Dat “even snel” wordt uiteindelijk bijna drie uur!

Wheal Martyn is niet alleen een nog werkende klei-ontginning maar ook een ontdekkingscentrum/museum over klei en porselein. Wat leren we?

Dat tot in 1746 alle porselein, waar ook ter wereld, gemaakt werd van een speciale klei-soort die alleen maar in China te vinden was in de streek van het dorpje Gaoling … vandaar de naam kaolien-klei. De Engelsen blijven het koppig China clay noemen.

Dat tot dan Engeland geen porselein kende – in tegenstelling tot Europa – en alleen maar aardewerk gebruikte.

Dat in 1746 ene William Cookworthy kaolien-klei hier in Cornwall ontdekte.

Dat vanaf dan al snel een echte klei-industrie ontstond met gigantische kleiputten, klei-vervoer via spoor en export naar Europa via havens zoals die van Charlestown.

Dat de afval van de kleiputten opgestapeld werd tot heuse, witte kegelvormige bergen, door de Engelsen de “Cornish Alps” genoemd.

Dat kaolien nog steeds en veelvuldig gebruikt wordt in de papierindustrie, cosmetica, tandpasta, rubber, plastiek, verf, batterijen … uiteraard naast porselein.

Na de tentoonstelling in het bezoekerscentrum laten drie wandelcircuits ons de 14 ha. Wheal Martyn site ontdekken. De rode “Historic trail” loopt rond en in oude gebouwen waarin de klei werd gedroogd, verwerkt en verder gezuiverd. Aan het begin ervan draait een groot waterwiel, vroeger gebruikt om water naar boven, naar de kleigroeve te pompen. Kaolien ontginning is immers zeer water-intensief.

D’er is de groene “Nature trail”: de naam spreekt voor zich. De blauwe route leidt naar de “Pit View”. Van hieruit zien we de gigantische kleiput met – in de verte – werkende graafmachines die er als speelgoedjes uitzien maar in werkelijkheid al even reusachtige machines zijn. Wat een interessante en leuke site is dit.

Nu weten we waar Hyacinth uit “Keeping up appearances” haar “Royal Doulton with handpainted periwinckles” uiteindelijk vandaan komt. 🤣

We wandelen nog even langs het vroegere treinspoor, nu wandel- en fietspad. Langs hier reden de treinen met wagons vol kaolien-klei naar de haven van onder andere Charlestown.

Charlestown.

Terug naar ons oorspronkelijke plan van deze morgen: bezoek aan Charlestown. Wat een eigenaardig stadje: veel te klein voor de grote haven of omgekeerd: te grote haven! Dat stamt uit vroegere tijden toen hier tonnen kaolien-klei vertrokken. Nu vertrekt alles over de weg of naar de haven van Foley. Behalve de vele bars, restaurants en prullaria-shops geeft de haven – hoewel indrukwekkend – een vervallen indruk, vooral bij eb als de haven droog ligt. Er zijn grote werken aan gang; restauratie?

We klimmen langs het South West Coast Path omhoog, op de rand van de kliffen maar beschermd door menshoge hagen. Boven ligt de Sea Road met poepsjieke villa’s. Wat een contrasten. Afdalen maar weer langs een “public footpath” en eekhoorntjes spotten. We komen uit bij “The Rashleig Arms”, een welgekomen bar met terras …

Rick Stein.

Ons appartement in Newquay is op het noorden georiënteerd = geen mogelijkheid om de zonsondergang te zien. Daar passen we vanavond een mouw aan. We dineren bij Rick Stein Fistral. Rick Stein is een populaire (in U.K.) TV-kok, auteur van kookboeken die vooral over vis gaan, en eigenaar van verschillende restaurants. We eten er klassieke “Fish and chips met mushy peas” en “a pint of Cornish lager”. Super verse vis en grote portie. Extreem vriendelijke service.

D’er is “live music”: Joe Hurworth zingt bekende songs naast eigen liedjes. Is hij de volgende Ed Sheeran? Hoe dan ook, hij slaagt er in een romantische sfeer te creëren!

Kunnen we deze dag nog beter afsluiten dan met een mooie zonsondergang? De zon zakt dan wel vroegtijdig in een wolkenband, maar onze mooie plaatjes hebben we beet en … onze nog mooiere herinnering!

St. Michaels Mount.

30 april 2025.

Er is niets leuk of romantisch meer aan een meeuw die elke morgen en avond aan het schuifraam komt tikken en bedelen om eten! Vandaag dus opnieuw!😡

Saint Michaels Mount is de Cornwall versie van Mont Saint Michel in Bretagne, inclusief de Engelse naam. We naderen vanuit het oosten Marazion – daar ligt St. Michaels Mount – maar voor we het dorpje binnen rijden, stoppen we langs de wegkant: verbluft door het zicht vanuit de hoogte. Helemaal omgeven door water troont een kasteel hoog op de rotsen.

Even mijn charmes gebruiken bij drie wandelende oudere dames: waar kunnen we parkeren? Aan de andere kant van Marazion, op bijna-zeeniveau. Betalend, maar met de juiste app (JustPark) gaat dat vlotjes.

Vanaf een kleine kade aan Chapel Rock varen bootjes toeristen naar de site. Er is ook een voetweg maar die ligt nog grotendeels onder water. Toch even op die geplaveide weg een kijkje en foto’s nemen. Tot halfweg geraken we: vandaar is het water te diep. Ons plan: eerst het stadje Marazion bezoeken en dan naar St. Michaels Mount wandelen. Alleen … zodra we weer op de kade staan, zien we de zee toch wel heel snel terug trekken … We keren weer naar het voetpad en raken deze keer met droge voeten ruim over halfweg. Nog even wachten, en wachten, en waterdiepte inschatten en ja, met onze goede wandelschoenen kunnen we door 2 cm water. Als één van de eerste voetgangers vandaag staan we op St. Michaels Mount.

We betalen 12 £ p.p. voor bezoek aan de tuin – kasteel is nog een keer apart te betalen. Maar eerst een koffie op het terras van het “Island café”. Hier wordt expliciet gewaarschuwd voor agressieve meeuwen en uitdrukkelijk gevraagd om ze NIET te voederen.

Vanaf het café stappen we over een uitgestrekt, glooiend grasland – een “lawn” – zoals alleen Engelsen dat kunnen manicuren. De tuin is een rotstuin – veel klauterwerk – en staat vol bloemen en planten die er exotisch, of minstens speciaal uit zien. Zoals in elke zichzelf respecterende Engelse tuin krijg je de indruk dat dit natuurlijk of zelfs ”wild” is. Maar er zijn ook niet-aangeplante stukken waar de boshyacinten en driekantige look hebben overgenomen. De vele rustbankjes in de tuin nodigen uit tot … zonnen – ‘t is warm – tot verpozen en foto’s nemen (zon, blauwe zee, rotsen, kasteel op achtergrond).

Snel een “energy bar”, dan kunnen we weer verder: rondstruinen in de haven en het piepkleine dorpje. Hier staan een paar auto’s en zelfs een kleine vrachtwagen. Hoe geraken die hier op het eilandje? Via de voetweg zoals blijkt als we terug wandelen naar het vasteland. Op het strand diept een bulldozer snel – voor het tij weer opkomt – de vaargeul voor de bootjes uit.

De meeste toeristen laten – onterecht – Marazion links liggen. Wij niet. We wandelen langs een Public Footpath naar de “Beacon”: een baken = een verroeste ijzeren mand op een paal. Vermoedelijk werd hier vroeger af en toe een vuur aangestoken, als herkenningspunt voor binnenvarende schepen? Het zicht van hieruit op St. Michaels Mount is onze beloning voor al dat wandelen. Beneden in Marazion stappen we een Methodisten-kerk binnen en komen we toevallig aan een “arts & crafts” tentoonstelling van lokale kunstenaars. Leuk stadje verder …

Wat nog rest van de namiddag gebruiken we om onze meegebrachte lunch aan de rand van het strand te verorberen – met uiteraard zicht op St. Michaels Mount. Gezien het zomerse weer en temperatuur kan een wandeling langs Marazion Beach er ook nog wel bij.

Vanavond kleurt de hemel zacht oranje-roze. Vanuit Newquay zie we de vuurtoren van Padstow elke 5 seconden oplichten. Cornwall, je bent fantastisch … met zon!

The Tin Coast.

29 april 2025.

Onze meeuw van gisteren komt opnieuw aangevlogen, landt op ons terras en tikt tegen het schuifraam. Goede morgen? Maar nee, je krijgt geen eten van ons.

De bodem van de noordwest kust van Cornwall was/is rijk aan tin, koper en lood: “The Tin Coast”! De schoorstenen van de stoommachines van de vele al lang gesloten mijnen zie je nog steeds van ver uit de groene heuvels oprijzen. We zijn klaar voor een mijnbezoek.

Geevor Tin Mijn.

We kunnen niet missen, de “Victory mijntoren” boven de mijnschacht van de Geevor mijn valt op. Geevor Tin mijn ging in 1990 dicht: te sterke daling van de tinprijzen; exploitatie niet meer rendabel. Maar de hele site inclusief alle machines is bewaard gebleven. Sterker nog: ‘t lijkt alsof de operatie gisteren pas is gestopt. Kleren en uitrusting hangen nog in de kleedkamers, uit de douches zou zomaar een naakte mijnwerker kunnen stappen (management had aparte douches), paperassen liggen nog op de bureaus in de kantoorruimtes, borden met werkplanning vermelden namen van mijnwerkers voor de volgende shift, vergeelde affiches manen aan tot veiligheid en tijdig in- en uitklokken en dreigen met “disciplinary action” …

Verschillende gebouwen bevatten indrukwekkende machines: de liftkamer met elektrische turbines, de oude stoommachines, de werkplaats waar boren opnieuw worden geslepen, de vermaling installatie, de “wasserij” waar op grote tafels mechanisch de minuscule tindeeltjes (<1 mm) gescheiden worden van het steengruis. Één zo’n wastafel werkt nog en wordt door een oud-mijnwerker gedemonstreerd. Hij geeft er leuke en interessante uitleg bij, naast kritiek op de “orange man from America” (ja, Trump) die recent de tinprijs spectaculair naar beneden heeft gepraat.

Uiteraard is er ook een mijn-museum waar het hele proces van ontstaan van de aarde, vorming van tin tot mijnbouw en afgewerkte tinnen schaal wordt uitgelegd.

Maar het leukste deel van het bezoek is de onbegeleide tocht door de “adit”, een oude (18de eeuw) horizontale mijnschacht. Gelukkig hebben we gele veiligheidshelmen op: de mijngang is gevoelig lager dan een normale mensenhoogte van nu. Verklaring: mijnwerkers in de 18de eeuw waren kleiner o.a. door slechte en arme voeding. De mijngang is ook bochtig; kronkelend en extreem smal op sommige plaatsen: alleen hamer en beitel waren in de jaren 1700 beschikbaar; als er op extreem harde rots werd gestoten, beitelden de “tinners” er gewoon omheen. Tal van andere wetenswaardigheden over de helse werkomstandigheden van mijnwerkers 300 jaar geleden komen we te weten van Peter, één van de laatste mijnwerkers van Geevor die ons opwacht halfweg de honderd meter lange mijngang. Nee, hij zit hier niet de ganse dag beneden in het donker; aflossing: elk uur komt er een ander. Hoewel hij het hier wel gewoon is in het donker, zegt hij zelf!

Levant miin.

Terug in het felle zonlicht en de sterke zuidwesten wind. We wandelen naar de restanten van de Levant kopermijn, een halve mijl verder. Net zoals Geevor ligt de Levant mijn op hoge kliffen aan de zee. De omgeving is indrukwekkend en doet denken aan … Romeinse archeologische sites door de schoorstenen, resterende pilaren van vroegere industriële gebouwen en ruïnes.

Een stuk van de heuvels is niet begroeid. Hier werd arsenic geproduceerd, bijproduct van de tin-ontginning. Is de bodem hier na 50 jaar nog altijd vervuild? De Levant-mijn was een kopermijn maar die sloot reeds in 1930. Behalve wat fotogenieke ruïnes en het gebouw met de oude, gerestaureerde stoommachine is er niet veel meer van over.

Deze keer lunchen we – opnieuw laat – op een bankje in de zon met meegebrachte cheddar en Cornish zuurdesem brood. We kunnen de terugweg aanvatten met een paar tussenstops.

Mên-an-tol.

Niet zover van Geevor – uiteraard langs heel smalle wegjes – moet Mên-an-Tol te vinden zijn. Vermoedelijk zijn dit overblijfselen van een neolithisch graf. Benieuwd!

Google maps zou ons een grintweg doen nemen die bovendien afgesloten is door een hek! Gelukkig komen twee dames van die grintweg afgewandeld. Of dit de weg naar Mên-an-Tol is? Jawel; na het hek, zowat een halve mijl te voet de weg volgen. Mooie korte wandeling door de heide en de weiden, afgeboord door stenen muurtjes, met een paar verlaten huizen langs één kant. We vinden Mên-an-Tol: een soort molensteen met een groot gat in het midden en een paar rechtopstaande stenen. Mên-an-Tol betekent “stone of the hole” ook “devil’s eye” genoemd. Heinde en ver geen mens te bekennen, laat staan een toerist.

Zennor.

Een laatste tussenstop op de terugweg: Zennor, het dorpje waar zich de succesroman van Helen Dunmore, “Zennor in darkness” afspeelt. Het is een duister en dramatisch verhaal over Claire uit Zennor, verliefd op een soldaat die getraumatiseerd terugkeert van het WO I front. De kliffen, de oceaan en de heide spelen een rol in het verhaal. Die ingrediënten zijn er nog allemaal. Alleen … “darkness” is er op deze zonnige dag gelukkig helemaal niet.

Zennor zelf is niet meer dan een robuste kerk met een pittoresk oud kerkhof, een paar huizen en een bar – “The Tinners Arms”. Geen enkele referentie naar het boek of de schrijfster is hier terug te vinden. Dat belet ons niet om op het zonneterras van The Tinners Arms van de omgeving en een “ginger beer” te genieten.

We zijn nu moe genoeg, we mogen “naar huis”. Op de terugweg zien we voor het eerst een “TOR”, Cornish benaming voor een berg of grote heuvel met op de top verticaal uitstekende rotsblokken.

P.S. Al vijf dagen zijn we in Engeland en we hebben nog geen bankbriefje of muntstuk aangeraakt. We hebben trouwens ook geen Engelse ponden gewisseld of uit de muur gehaald. Alles – ja, alles, ook een betalend toilet van 0,5 £ – betalen we met Apple Pay. Enige probleem tot nu toe: winkelkar in de supermarkt; dan nemen we maar één of twee mandjes.

Tintagel Castle.

28 april 2025.

De leukste en interessantste afstand tussen twee punten is zelden een rechte lijn. Van Newquay naar Tintagel Castle, waar de mythische koning Arthur (van de ridders van de ronde tafel) zou geboren zijn, is het 32 mijl. Maar we willen eerst de grootste en zwaarste monoliet van Cornwall zien, dus niet in rechte lijn naar Tintagel.

St. Breoc Downs Monoliet.

En of die weg erheen interessant is. Wegen van amper één auto breed; nu eens muren van ondoordringbaar groen langs beide kanten dan weer rotsen of open weilanden bevolkt door ontelbare schapen en lammetjes; bochtig; sterk op en neer gaand; heel af en toe een paar huizen en een vee-rooster. Windmolens aan de horizon zijn het enige bewijs dat we wel degelijk in de 21ste eeuw zijn.

De monoliet van St. Breoc Downs – met zijn 16 ton bijna 5 meter hoog – staat al ongeveer 4.000 jaar op deze eenzame hoogte. Correctie: omgevallen in 1945 en terug recht gezet in 1956. Veel toeristen komen er niet want hier is, behalve de fotogenieke plek, verder … niets … een karrenspoor leidt naar de monoliet …

Op naar Tintagel. Gentleman zijn met de gentlemen. Bij een tegenligger op deze smalle wegen moet één van de twee auto’s onvermijdelijk achteruit, tot een plek die als uitwijkplaatsje kan dienst doen … en dat betekent in het slechtste geval honderden meter achteruit.

Tintagel Castle.

Tintagel: de plek waar de kasteel-ruïne van de mythische koning Arthur ligt. Hier kunnen we voor het eerst onze English Heritage pas te gelde maken.

Het bezoek begint met een super-steile afdaling in een groene vallei, gevolgd door een klim langs een bergpad tot helemaal boven op de rotsen. Lang geleden lagen de gebouwen van het kasteel op een uitgestrekte richel met een versmalling in het midden, een achtvorm. Het smalle middenstuk werd voortdurend door de zee uitgehold en ergens in de 15de eeuw stortte de heleboel in. Één stuk van het kasteel – het grootste deel – bleef geïsoleerd als eiland achter, alleen nog te bereiken bij eb en mits gevaarlijke afdaling en dito klim langs de rotsen. Tot in 2019 een voetgangersbrug hoog over de ontstane kloof is gebouwd. Die krijgt nu – in 2025 – een nieuw “likje” verf waardoor ze voorlopig niet fotogeniek meer is. De rest van de site is dat gelukkig wel en hoe …

De ruïnes, de groene bergflanken vol boshyacinten, kustsilene, lepelblad, Engels gras en driekantig look, de blauwe zee die wit schuimend tegen de rotsen beukt en vooral … de stralende zon maken van dit bezoek een onvergetelijke ervaring. Nog even de verplichte foto van het eenzame koning-Arthur-standbeeld – officieel heet dit het “Gallos statue” – en we kunnen via een steile trap met hoge treden langs de rotswand afdalen. Op het strandje beneden ligt de grot van Merlijn, Arthur’s tovenaar. Met heel veel goede wil kan je in de rotswand het aangezicht van Merlijn herkennen. Misschien heeft hij nog wel iets te maken met het magische van deze plek.

Nog “snel” even door het dorpje Tintagel wandelen – souvenir shops en bars en restaurants. Alleen het oude postgebouw doet – met haar doorzakkend leistenen dak – haar faam van “authentiek” en “oud” eer aan.

Padstow.

Op de terugweg naar Newquay doen we Padstow aan. Dat havenstadje ligt aan de immens brede en lange monding van de Camel rivier. Een totaal andere “vibe” dan in Newquay: een bezadigd toeristenpubliek – anders dan de sportieve surfers van Newquay – bankjes, terrasjes, winkeltjes, een uitgelaten sfeer.

We lunchen – heel laat: 15 uur – in “The Harbour Inn”: Cornish Crab Sandwich met “a pint of Guiness”. De barman vertelt over het nakende 1 mei feest in Padstow: het ‘Obby ‘Oss festival. Een ‘Obby ‘Oss is een soort paard-achtige figuur met groot masker. Er is een rode en een blauwe, elk met hun eigen gevolg. Op 1 mei trekken de twee stoeten onafhankelijk van elkaar door de stad. Blijkt dat “The Harbour Inn” het hoofdkwartier van de blauwe ‘Obby ‘Oss is. Straks wordt de hele pub leeg gehaald: alles wat los zit moet er uit want op 1 mei is de bar de hele dag vol gepakt met uitgelaten, drinkende fans van de blauwe ‘Oss.

In de haven wordt er inmiddels effectief op krab gevist … door jongetjes van een jaar of negen, tien. Één van hen legt enthousiast uit hoe krabben afkomen op zijn aas en niet meer uit zijn fuik kunnen. Vandaag lijkt hij echter nog niets gevangen te hebben …

In het midden van de Camel rivier blinkt een grote zandbank in de zon … voorlopig … want de vloed komt opnieuw op. Tijd voor ons om huiswaarts te keren.

In ons vakantiehuis landt een zilvermeeuw op ons terras. Onvervaard stapt ze tot tegen de venster en tikt meermaals tegen het glas. Wenst ze ons goede nacht? Of – prozaïscher – kreeg ze eten van de vorige gasten?

Newquay.

27 april 2025.

Ons vakantie-appartement ligt in Newquay (spreek uit: Njoekie) aan Fistral Beach, een grote baai met een strand dat zowel in het oosten als in het westen ingesloten is door “headlands”: klif-achtige landtongen met zee aan drie zijden.

“Runners see more”. Ik loop vroeg (7u30) de +/- 2 km naar Towan Headland in het oosten. De zon is dan al anderhalf uur op en laat zich volop zien. Wat een prachtig loopje, meestal hoog op de kliffen, af en toe dalend naar het strand en één keer klauterend over rotsen (vloed!). De vele panorama’s, blauwe zee met wit-schuimende golven en groene rotskust bezorgen me kippenvel, of is dat door lopen in korte broek bij een frisse 8° C? Newquay ligt zo’n 150 km zuidelijker dan Brussel maar de temperatuur lijkt er 2 tot 3 graden koeler te zijn. Merkwaardig: op dit vroege uur liggen reeds tientallen surfers op hun plank in zee.

Zien wandelaars ook veel? Na ‘t ontbijt en “Cornish Smugglers Brew tea” wandelen we naar de “haven”. Het centrum van Newquay is niet speciaal, het mini-haventje ook al niet. Wel het strand en de rotsen van Towan Beach met een spectaculair grote, vrijstaande rots – “The Island”- waarop een privé-woning staat, bereikbaar via een voetbrug.

Vanop het strand moeten we opnieuw 40 meter verticaal de rotswand op, gelukkig met trappen, tot North Quay Hill. Verder volgen we voortdurend het South West Coast Path op de rand van de kliffen. Dat pad brengt ons bij Huer’s Hut, een klein, witgekalkt gebouw uit de 14de/15de eeuw. Hier tuurde de huer onophoudelijk uit over de zee. Zodra hij een school pilchards opmerkte, blies hij zijn hoorn … waarop de vissers naar hun boten spurtten, de zee in vaarden en de netten uit gooiden.

Vanaf Huer’s Hut wandelen we verder westwaarts – dalend, klimmend – naar Towan Headland. We passeren aan onze linkerkant het oorlogsmonument van Newquay: een latijns kruis op een “cairn” (stapel van stenen). Op Towan Head staat een eigenaardig wit zeshoekig gebouwtje, bestemming of bedoeling mij onbekend. ‘t Staat hier vol polletjes Engels gras – bedrieglijke term voor mooie roze bloemetjes, zagen we die ook al niet in Portugal op de Rota Vicentina? – en gele wondklaver en driekantig look zagen we ook al. Zo belanden we stilletjes aan terug op Fistral Beach. Tijd voor koffie.

Vanop het zonneterras van Fistral Boardmasters Beach Bar bestuderen we de tientallen surfers die in de verte (eb!) als zwarte bolletjes op het water dobberen. Ik begrijp die sport niet zo goed: 95% van de tijd liggen surfers op hun plank in de zee naar de golven te turen; 5% van de tijd – hooguit – surfen ze op een golf. Hoe dan ook, Newquay blijkt de surf-hoofdstad van Cornwall en bij uitbreiding van Engeland te zijn.

Lunchen doen we “thuis”: we hebben al 8 km gewandeld. Maar … er is nog het westelijke Pentire Headland te verkennen en de zon straalt nog steeds. Dus: wandelschoenen opnieuw aan en stappen, klimmen en dalen maar.

Pentire is veel ongerepter: zo goed als geen bewoning, hotels of vakantiehuizen. Ten westen ervan mondt de Gannel-rivier in zee uit; beter gezegd: riviertje. Bij eb kan je te voet oversteken. Tegenover Pentire Head, tientallen meter ver in zee, ligt Goose Rock: een woeste puist van een rots waar de golven vruchteloos en schuimend tegenaan beuken. Één bar/restaurant/lodge is er op Pentire Headland: “Lewinnick Lodge”.

“In Cornwall, do as the Cornish do”, dat wil zeggen: verpozen in de zon op het terras van Lewinnick cafė met een Cold River Cider uit de streek en een Jolly’s Cornwall gember bier. Hier valt het ons andermaal op dat Engelsen iets hebben met honden. Talrijk zijn de mensen met twee of meer honden; talrijk de speciale vuilnisbakken voor hondenpoep zakjes; talrijk de drinkschaaltjes aan bars en restaurants. Weinig hondenpoep op straat, weinig loslopende honden. Neemt niet weg dat een hond die blijkbaar van zijn baasje toch vrij mocht lopen, hier plast op 30 cm van Betty’s rugzak. 😱😡

De vloed komt opnieuw op, de surfers worden terug geduwd richting het smaller wordende strand en de rotsen. ‘t Is 17 uur, tijd om deze zonovergoten buitendag af te sluiten: 13 km gestapt en heel wat natuur beleefd. JA, wandelaars zien ook veel. 😀