Vergane glorie en verval in Bulawayo.

Woensdag, 19 november: lange rit (410 km) naar Bulawayo voor de boeg.

We testen een nieuwe anti-boete strategie uit. Beslist is dat een oudere, respect-afdwingende man voortaan rijdt (ik dus); dat we geen GPS zichtbaar in de auto laten, wel de Bradt-guide … Op hoop van succes.

Op weg.

De zon is weer van de partij hoewel we zijn gestart onder een bewolkte lucht. De eerste politie-controles gaan goed: we kunnen onmiddellijk verder rijden of toch mits een vriendelijk praatje. Maar dan gaat het weer mis, opnieuw omwille van de zogezegd verplichte rode reflecterende strip. Vast tarief: $ 10. En nochtans … bij een volgende controle wordt de auto van buiten nauwgezet onderzocht, er wordt een – waarschijnlijk – “chef” bij gehaald. Maar toch is alles OK, inbegrepen het niet-aanwezig zijn van de strip! Maar je wordt er wel filosofisch bij … we laten het vanaf nu maar over ons komen.

Een drankje onder de weg bij “Halfway Monument”, de enige stopplaats die er leuk uit ziet. En rond de middag onze boterhammetjes aanspreken op een “lay by”, uitwijkplaats langs de weg. Een veehoeder met kudde passeert traag, aan het tempo van zijn koeien. We hebben nog wat boterhammetjes over en bieden hem die aan. Wat hij in dank aanneemt. “Thank you” is echter zowat zijn volledige Engelse woordenschat. De kudde en de hoeder trekken verder door het Mopane-woud…

Twee kindjes komen bedremmeld aangewandeld vanuit een paar verre rondavels. We hebben nog “chili con carne” met rijst over, perfect bewaard in een brooddoos in onze auto-koelkast. Kijken mekaar even aan en geven de chili met brooddoos en al weg, niet zonder een ongemakkelijk gevoel … Hoewel de kindjes het in dank aannemen. Het kleinste (4 jaar?) stapt er onmiddellijk mee terug naar huis. Het oudste (10 jaar?) wuift ons bedeesd uit. Op nu naar Bulawayo.

Sondela guest house.

Statig wit huis met grasveld.

Sondela Guest House: doet denken aan een oud Victoriaans hotel. Prachtig van buiten. Zeer mooie tuin. Binnen tapijten en parket alom. Een snooker kamer, een “smoking room”, een ontbijtruimte, een bar … Overal boekenrekken proppensvol boeken, of oude foto’s en schilderijen, of borden in wat op Delfts blauw lijkt – en het misschien ook is – of zilverwerk, of een ivoren slagtand, fijn bewerkt. Maar alles oud, versleten, aftands, afgeleefd. Prudence, de corpulente zwarte manager toont ons de weg in het huis. Kamers worden niet op slot gedaan. Er is een “honesty-bar”. Alles is hier op basis van vertrouwen! Maar er is voor het eerst tijdens onze reis wifi op de kamer!

Bulawayo.

Tijd om wat uit te rusten aan het zwembad. Daarna nog een wandelingetje in de stad. Langs het “Natural History museum” wat er van buiten nog een redelijk mooi gebouw uit ziet maar niet onderhouden. Dat geldt ook voor het park waar het in ligt. Vuil en afval overal. Een afgeleefde speeltuin met daarin een oud pantservoertuig als speeltuig. Een smalspoor voor een treintje door het park maar dat vermoedelijk al jaaaaren niet meer rijdt. Toch iets wat wel is onderhouden: een “lawn bowling club” waar blanke zeventig-plussers een spelletje aan het spelen zijn. Een idyllisch riviertje door het park is verworden tot een bruin-zwarte stinkende open riool waarop allerlei afval drijft.

Wit hoekgebouw, gelijkvloers + 1 verdieping, wit.

In het stadscentrum voelen we ons helemaal niet op ons gemak. Geen blanken op straat. We hebben veel bekijks. We worden aangesproken door iemand die voorstelt om bij hem thuis kip te komen eten … Iemand anders spreekt ons aan en zegt “Is there a problem? You guys look so stressed!” Dat zijn we waarschijnlijk ook: de vermeende bedreiging zit waarschijnlijk eerder in ons hoofd dan dat ze reëel is. Toch is het niet leuk. Bulawayo moet ooit een mooie stad zijn geweest met haar dambordstructuur en oude koloniale huzien. Maar alles is nu zo verlept …

Toeristen bij oud stoomlocomotiefje.

New Orleans.

Prudence heeft voor ons vanavond het “New Orleans restaurant” geboekt, ooit het beste van de stad, onder de naam Betty Sondela! Het restaurant ligt op zo’n kleine 4 km van Sondela. Dus er heen met de auto. Het ziet er redelijk “chic” uit van binnen maar het eten is – naar onze normen – maar zus en zo. Het kliënteel lijkt bovendien een karikatuur van zichzelf. Er is een tafel met acht opgedirkte zwarten die meer met hun joekels van smartphones bezig zijn dan met wat anders. Er is een tafeltje met twee oudere, blanke “rangers” in typische safari-outfit met te korte shorts en verwilderde haargroei overal. Een derde tafeltje ook al met een soort blanke “gids” die de andere twee kent. En wij …

Niet zo laat, acht uur dertig, rijden we terug naar Sondela. En dan wordt het nog eventjes spannend. David’s iPhone en Tom-Tom GPS, die ons overigens al uitstekend van pas is gekomen, laat het tijdelijk afweten. Geen sateliet-contact? Dan maar op het gevoel in de pikdonkere nacht rijden, zonder enige verlichting of aanduiding! Goede keuzes gemaakt: we rijden Bulawayo binnen. Hier is er wel straatverlichting maar waar is Sondela? Het voelt of we zomaar wat rond rijden. Langs hoofdstraten en duistere achterbuurten. Ongerustheid stijgt. Proberen zo weinig modelijk te stoppen. Komaan Tom-Tom. Herkennen we niet iets? Jawel de stank van het parkriviertje! Dan plots spreekt en orakelt de GPS weer! Gelukkig: tien minuten later staan we bij Sondela. Daar verwelkomt ons de eigenaar. Ook al een karikatuur: een rijzige en grijzende blanke zeventiger in een walm van pijpengeur. Past perfekt bij zijn huis.
Goede nacht, vanuit een oude Victoriaanse kamer zo groot als een balzaal.

Zambezi dierendrukte.

Victoria Falls, 18 november 2014, 6u45 ’s morgens.

“F…ing hell, maat!” schreeuwt Evelien ons wakker. Wat is er gebeurd? Waardoor deze vroege commotie? In onze schaarse vrije tijd, meestal ’s morgens vroeg, haakt Evelien kerstballen om te verkopen ten voordele van de actie “Music for Life”. Deze morgen doet ze dat buiten op het terras. Een grote baviaan komt aangewandeld. Daar blijft ze rustig bij: dat beest zal wel voorbij wandelen. Niet dus. Op anderhalve meter van Evelien begint de baviaan aan het tentzeil te prutsen (ons “huis” is langs de ene kant met grote zeilen afgesloten, geen muren). Evelien haast zich naar binnen met haakgerei en al. Op dat eigenste moment rukt de baviaan de velcro-sluiting van het tentzeil open, steekt zijn kop en halve lijf binnen en kijkt naar de gesloten keukendeur. Evelien vierklauwens naar boven. Luide schreeuw en … de rover vlucht weg. Beneden aan de trap ligt een bol wol die je als een draad van Ariadne kan volgen de trap op, de kamer van Stijn en Evelien binnen. In elk geval is iedereen nu meteen klaar wakker.

Ontbijt buiten op het terras. De roversbende – we zien nu overal bavianen – trekt van huis tot huis. Een warthog nadert ons tot op twee meter: vermoedelijk komt hij kijken of er geen restjes van de tafel vallen.

Warthog in close-up.

’t Is helemaal bewolkt en somber. Lijkt wel een typisch Belgische dag, behalve de temperatuur dan, vermoedelijk tussen de 20 en 25 °C. Laten we eerst een espresso drinken in het Vic Falls Shearwater cafe. Toen we daar gisteren een biertje dronken, leek er een top-of-the-line espresso-apparaat te zijn. Helaas … het apparaat doet het niet, al maanden niet. Dan maar een gewone koffie … die ook lekker is.

Oever van de Zambezi met bomen en waterpoelen.

We bezoeken het Zambezi National Park, zo’n 5 km van Vic Falls. Het ligt stroomopwaarts, langs de Zambezi. Talrijke lussen in de weg voeren naar prachtige uitkijkpunten aan de rand van de rivier die hier heel breed is en krachtig stroomt. Vele eilandjes. Krokodillen op zandbanken en rotsen. Oppassen dus: je kan hier uit de auto stappen en op eigen risico de rivier van dichtbij ervaren. Nijlpaarden briesen in het midden van de stroom. Aan de overkant ligt Zambia. In een grote plas stilstaand water (die we prompt draineren naar de rivier toe) zit een krab en tijgervisjes.

Krokodil op zandbank in de Zambezi.

We lunchen “uit het vuistje” bij zo een van die stopplaatsen langs de Zambezi.

De hemel klaart uit. Onmiddellijk wordt het heet. We rijden nu van de Zambezi weg, dieper het park in. Dat lijkt tevens één van de mooiste te zijn, die we ooit al hebben gezien. Prachtige Afrikaanse landschappen, heuvelachtig en afwisselend terrein, schilderachtige 4×4 route. We zien een sabelantiloop, naast de “klassiekers” zoals impala en warthog. Een boom ligt dwars over de weg. En met nog groene blaadjes er aan, dus vermoedelijk nog maar pas geveld door een olifant. Proberen de boom te versleuren: dat lukt ons niet. Dus voorzichtig  over de kleine en meebuigende Mopane boompjes d’er naast rijden. Gelukkig hebben we een 4×4 met “high clearance”. We rijden verder langs half-open vlaktes afgewisseld met dichter beboste stukken. Tot Stijn plots uitroept: “Een kleine krokodil op de weg!” Niet juist. Het blijkt een anderhalve meter grote Nijlvaraan te zijn, overigens één van de grootste vijanden van de krokodil. Krokodilleneieren vindt hij een lekkernij!

Troep stoeiende olifanten op de oever van de Zambezi.

We komen opnieuw aan de oever van de Zambezi. Daar zijn we getuige van een schouwspel wat zo uit een reisbrochure zou kunnen komen. Twee olifanten staan aan de oever te drinken en zich nat te spuiten. Dan komt er nog een olifant uit het struikgewas, dan nog één en nog één en een kleintje en … Het blijft zo maar doorgaan. Uiteindelijk staat een kudde van vermoedelijk meer dan 30 beesten op het strand van de rivier. Ze stoeien in en met het water en het zand. Indrukwekkend! We blijven hier zitten tot de kudde na een dik uur opnieuw in het struikgewas is verdwenen. Maar nog zijn onze ontdekkigen hier niet ten einde.

Nijlvaraan verscheurt prooi.

Langs de kant van de weg zien we opnieuw een Nijlvaraan, een kleinere deze keer … vermoedelijk een meter, staart inbegrepen. Hij is iets aan het verscheuren en opeten. Moeilijk te zien wat precies, want het is een bloederige massa die langwerpig ligt uit gespreid. Een slang? Een paling? Ook dit schouwspel blijven we bekijken tot de varaan voldaan is. En langs de andere kant liggen verse olifantendrollen. Ongetwijfeld van de kudde die zonet op het strand stond. Van alle kanten komen “dung beetles”, mestkevers, aangevlogen. Erg goeie vliegers zijn het niet. In hun haast om bij de mest te geraken vliegen ze overal tegen aan. Bovendien lijkt een landing meer op: ophouden van met de vleugels te slaan en dan maar uit de lucht vallen. In een mum van tijd zitten er tientallen van die beestjes. Ook dit schouwspel blijven we lang gade slaan. Maar dan moeten we echt verder want het begint al laat te worden.

Twee grote olifanten met adolescent en kleintje.

Echter … opnieuw beslist de olifant er anders over. De grote kudde staat links en rechts van de weg. Geen doorkomen aan. Dan maar rustig en behoedzaam volgen in hun spoor. Dikwijls gewoon stilstaan. Plots komen er achter onze auto twee olifanten uit het struikgewas. Schrikken. Nog meer schrikken als die twee plots mekaar aanvallen. Met groot geweld beuken ze met hun koppen tegen elkaar. Op 10 meter van onze auto. Zenuwen gieren door onze keel. De ene olifant beukt de andere met luid gekraak tegen een boom. Gelukkig houdt het daarmee op en wandelen de twee driftkikkers weg. Toch duurt het nog een hele tijd voor we – met ingehouden adem – de kudde kunnen voorbij rijden. Oef …

En als toemaatje: nog een kudde Afrikaanse buffels, één van de “big five”.

Kudde Afrikaanse buffels.

Zambezi National Park: een absolute aanrader. En nu ik er over nadenk: geen enkele andere auto / toerist ontmoet in dit park!

Als afsluiter: avondaperitief in de bar van “The Boma”. “Face-timen” met de ouders van Stijn. “Thuis” ratatouille eten met boerewors van de braai. En dan slapen …

Ontmoetingen met politie – deel 2: Vic Falls.

Vandaag, maandag 17 november 2014: iets later opstaan, 6 uur, want ons plan is om 7 uuur te vertrekken uit Camp Hwange. Zo gezegd, zo gedaan: even na 7 hebben we afscheid genomen van de Camp Hwange staff en rijden we het kamp uit. Op naar Victoria Falls in het noorden, doorheen het Hwange National Park via de Sinamatella gate.

Onderweg toch nog wat profiteren van de natuur en … spotten maar … veel gieren deze keer en een maraboe! Ook oog voor de kleine dingen: een luipaard-schildpad (mannetje) langs de kant van de weg. De vele warthogs, impala’s en andere antilopen vermelden we niet eens meer.

Close-up van Maraboe.

Eens we het park verlaten wordt de omgeving compleet anders: we rijden plots door een open steenkoolmijn. Dit moet ontegensprekelijk het mijnstadje Hwange zijn. Terrils langs beide kanten van de weg. Gigantische graafmachines en steenkooltrucks passeren ons. We rijden nu letterlijk op een weg van steenkool. Een paar slagbomen gaan voor ons open en weer dicht. De schok is groot: van puur natuur naar zware industrie! Een indringende teer- en steenkoolgeur dringt de auto binnen. Een sproeiwagen probeert tevergeefs het steenkoolstof te blussen.Welkom dus in stad Hwange! Een paar kilometer verder staat een bord “Welcome for passing through our mine”. Daarna wordt de eindeloos lange asfaltweg weer eentonig.

Grijze hoop van steenkool afval.

We rijden door een woud van lage Mopane bomen. Zonder een dorp tegen te komen. Zimbabwe met zijn – geschatte – 12 miljoen inwoners lijkt leeg te zijn. Uiteraard af en toe een politie-controle “in the middle of nowhere”. Het valt op dat de politieagenten geen auto hebben, nergens … Wat zou er gebeuren als we zo een controle zouden negeren en doorrijden? Het middaguur zijn we al gepasseerd wanneer we Victoria Falls naderen. Opnieuw politie controle: erg vriendelijke flik die vraagt waar we heen gaan en – als hij hoort dat het Vic Falls is – een aantal praktische tips geeft over wat we er allemaal kunnen gaan doen. Leuk!

Minder leuk is de volgende controle, een paar kilometer verder. De agent van dienst wil ons TIP-document zien, Temporary Import Document, één van de vele documenten die in Beitbridge zijn afgestempeld. Dat vraagt enig zoekwerk maar we halen het bewuste document naar boven. Dan vraagt de flik aan Stijn, die opnieuw onze chauffeur is, of hij weet wat hier de snelheidslimiet is. “Jazeker: 80 km per uur”. Daarop komt een andere agent een bestoft en oud toestel tonen, een zogenaamde snelheidsmeter, waarop hij in digitale cijfers het getal 95 produceert. Te snel gereden! Stijn, en wij allemaal, zijn er van overtuigd dat dit niet waar is: we hebben ons steeds nauwgezet aan de toegestane limieten gehouden. Maar er helpt geen lievemoederen aan: opnieuw een “Admission of guilt” en $ 10 boete. Nondenondenonde … dat allemaal voor de staatskas van Mugabe Zimbabwe: we krijgen netjes een officieel document. En nog voor we Vic Falls binnen rijden worden we zowaar gestopt door drie gewapende militairen, mitrailleur over de schouder! Sjofele, zelfs gescheurde uniformen. Maar ze zijn alleen maar op een lift naar de luchthaven uit, en gezien we vol zitten: doorrijden!

Al morrend rijden we Victoria Falls binnen en checken in, in Lokhutula lodge. Deze keer hebben we een timeshare huis met drie slaapkamers in een natuurdomein. Bushbuck, warthog en bavianen patrouilleren in het domein. We lunchen in het nabij gelegen restaurant “The Boma”, buiten op het terras, naast het zwembad.

Op dan naar de Victoria watervallen. In Victoria Falls zelf worden we “overvallen” door verkopers van “van alles”. Beeldjes, fruitschalen, oude Zimbabwaanse bankbiljetten van miljoenen dollars. Sommige verkopers zien er duidelijk ondervoed uit. Triest maar als je iets van de ene koopt, krijg je er tien andere op je nek. Sommigen willen ruilen voor je schoenen, of je T-shirt. Overdonderd zijn we door deze relatieve drukte. We trekken het bureau van de toeristische dienst binnen – stoffig en vervallen – en vragen of ze daar het boek “Victoria Falls Information Guide hebben”. Nee dat hebben ze niet. Maar geen nood: een vriend van de man achter de balie zou ons morgen een exemplaar kunnen bezorgen. Dat aanbod slaan we beleefd af: we zullen het wel zonder boek en alleen met onze Bradt-guide doen. We slagen er ook in heelhuids door de “aanvallen” van de vele prullaria-verkopers te komen en betalen $ 150 voor onze “inkom” voor de Falls.

Van daar volgen we de klassieke wandeling. Vanaf het standbeeld van Livingstone, via devils’s catarct naar de rest van de 1,7 km brede watervallen op de Zambezi rivier.

Toeristen poseren voor het standbeeld van Livingstone.

Smalle kloof met Victoria watervallen.

Indrukwekkend, dat wel. Het begint echter te regenen ( dat hadden we aanvankelijk niet door omwille van de regendruppels afkomstig van de watervallen). Dus regenjassen aan en verder wandelen in een miezerige motregen. Iedere bocht van het wandelpad biedt een ander uitzicht op de watermassa die zich 100 meter diep in de kloof van basaltrotsen stort. En op het eind is er de brug over de Zambezi, met de grens tussen Zimbabwe en Zambia precies in het midden van de brug. Dat is er duidelijk aan te zien: geschilderd langs de kant van Zambia … Verwaarloosd langs de kant van Zimbabwe.

Half geschilderde spoorwegbrug.

Victoria watervallen.

Tijd nu voor inkopen want de volgende twee dagen hebben we “self-catering” formule. Dat is ook weer een belevenis op zich. De supermarkt is in een hoge hangar ingericht. De neon-lampen aan het plafond geven te weinig licht en alles baadt in een donkere atmosfeer. De producten die wij kopen zijn duur – minstens zo duur als in Europa – maar zakken rijst, meel, aardappelen – wat het gros van de aankopen van de ” locals” lijkt te zijn – is dan weer goedkoop. Wij en onze shopping-kar hebben veel bekijks! Ook ons totale bedrag van aankoop – meer dan $ 100 – wekt de interesse, verbazing en waardering van de andere winkelaars EN de kassierster. Nieuwsgierig maar zeer vriendelijk vraagt ze welke taal we spreken en waar we vandaan komen. “Ha, from Belgium. The Red Devils”. Dat kennen ze hier blijkbaar overal.

Terug naar “huis” voor een dineetje door David geprepareerd: chili con carne! Smaakt heerlijk.

Zoals gewoonlijk de laatste dagen kruipen we vroeg onder de wol want doodmoe en overrompeld door allerlei nieuwe indrukken.

Big Cat Diary – part 2.

Zondag, 16 november 2014.

Gisteren hadden we de indruk “live” in het BBC-natuurprogramma “Big Cat Diary” te zitten, een programma waarin luipaarden, cheetahs en leeuwen in Afrika door spotters en een cameraploeg worden gevolgd. Vanmorgen lijkt voor ons deel twee begonnen. We zijn amper vertrokken voor een “all-day” safari – opnieuw om 6 uur – met de safari-kar, of Spike wordt via de radio opgeroepen door een ander kar, die waarin het Engelse dokterskoppel zit. Ze hebben een glimp van een cheetah – jachtluipaard – opgevangen. Wij dus terug in de sporen van de vermeende jachtluipaard. Van de weg af, hossen en botsen over putten, bobbels en struiken … door de savanne. Helaas, ondanks al onze pogingen blijft de cheetah onvindbaar. We zien wel steenbokjes, bush buck en plots, twee zeldzame honey badgers (honing dassen?) die dwars over de weg rennen. Maar de zoektocht naar de jachtluipaard moeten we opgeven.

We vervolgen dus onze safari-drive doorheen Hwange. De beboste savanne wisselt af met open plekken of “waterholes” waar we best wat wild kunnen spotten. En elke nieuwe “ontdekking” wordt begeleid door deskundige uitleg van Spike.

Voetpad doorheen beboste savanne.

Na een paar uur, komen we bij een soort pick-nick plaats, redelijk vervallen en verwaarloosd … gebrek aan geld. Dat zie je hier overal: vervallen en verwaarloosde infrastructuur. Even een plas-stop en verder? Nee, want de safari-kar vertikt het om nog te starten. De batterij lijkt dood … dus ook geen radio-contact meer. Spike prutst wat aan de motor maar tevergeefs. Dan maar met de aanwezige man- en vrouwkracht de auto voortduwen tot over een helling en ja … dan start ie wel.

Poel met scheve termietenheuvel links.

Verder dus het verlaten park in en spotten maar. Spike lijkt vooral gespecialiseerd in vogels en vertelt over het gedrag van de gieren die we zien rondcirkelen, of over de veelkleurige “lilac breasted roller”, of de ground hornbill, een grote loopvogel die vooral schildpadden lust en met zijn grote snavel gemakkelijk een schildpad pantser kan doorboren.

Kudu’s en springbokjes.

Spike wijst nog een bateleur arend aan. En we zien een luipaard-schildpad. Uitleg over hoe je mannetjes en vrouwtjes kan onderscheiden en waarom er meer mannetjes dan vrouwtjes schildpadden worden geboren. Dan “Roan-antilopen”: prachtige grote antilopen met grote horens. Ze lijken een masker van wit en zwart te dragen.

Grazende Roan antiloop.

Lunchen doen we op de rand van de steile vallei van een riviertje. Krokodillen luieren in de zon. Er liggen overblijfselen van een kadaver van een olifant in de rivier. We spotten de pied kingfisher (zwart-witte ijsvogel) en genieten verder van de zon, het landschap en de stilte.

Terug op pad dan. Echter niet zonder onze kar opnieuw in gang te hebben geduwd (= onze manuele startmotor). De zon verdwijnt achter reusachtige wolken. De lucht wordt almaar donkerder en als het tijd wordt om terug te keren, ziet de ene kant van de hemel pikzwart. We snellen terug naar de lodge. Plots steekt een felle wind op. De temperatuur daalt zeker met 10° op een paar minuten tijd. De eerste druppels vallen. Spike steekt een tandje bij en aan – vermoedelijk – 50 per uur rammelen we over de zandwegen van het park. Het wordt nog donkerder, de wind zwiept in ons gezicht en plots breken de hemelsluizen in alle hevigheid open. Een warthog loopt als een bezetene voor onze kar uit en duikt dan weer het struigewas in. Ondanks de regen blijft Spike koppig verder spotten. Gierende remmen, banden die knarsen op de grintweg: we stoppen omdat links in een boom de “giant eagle owl” zit, een uil van zo maar eventjes 60 cm groot en 2 tot 3 kilo zwaar. Prachtige vogel.

Savanne onder dreigende lucht.

Terug nu naar Camp Hwange in de storm met pletsende regen. Maar het lijkt niemand van ons gezelschap wat te deren (who cares?). Met lachende gezichten en opgewonden bereiken we de lodge, iets na 18:00 uur. Spike ziet er uit als een verzopen kieken. We zijn twaalf uur buiten geweest en hebben tal van dieren gezien! Tijd dus voor een welverdiende Zambezi-pils als afsluiter.

’s Avonds, dat wil zeggen: anderhalf uur later, aperitief en gezamelijk avondmaal. Het Engelse dokterskoppel zien we blijkbaar later op deze reis nog terug, in Chilo gorge. En Spike snijdt het vlees van David die met zijn gebroken arm nog altijd heel voorzichtig is… We krijgen terwijl we nog aan tafel zitten, bezoek van een kleine, ongenode gast: de “pouched mouse”, een leuk muisje met wangzakjes waarin ze snel alle eetbaars wat ze vindt, kan opbergen.
Morgen terug in de bewoonde wereld: Victoria falls. Benieuwd wat dat wordt.

Nacha en Wussy

Op een zaterdagmorgen, 15 november, om 5 uur opstaan! Dat is letterlijk samen met de zon opstaan. Een klein half uurtje later staan we in het centrale lodge-gebouw koffie of tee te slurpen en porridge of fruit of toast met confituur te eten. Weer een klein half uurtje later, rijden we weg, Spike aan het stuur van de safari-kar.

Zo’n 20° is het. Bewolkt. Spectaculaire luchten. We passeren een plek waar het geluid van de cycaden reeds oorverdovend is. Ze vliegen ons rond de oren. Spike plukt er een van het dashboard: een mannetje, alleen die kunnen geluid maken. Prompt krijgen we een hele uitleg over die beestjes. Net zoals over de – deze keer uitzwermende – termieten.

Andere toeristen komen we in het park niet tegen. Maar toch komt plots, op dit vroege uur, een tegenligger een bocht om gereden. Grote 4×4. Die stopt op onze hoogte. Het is Jane van een leeuwen-onderzoeksproject. Een forse madam van in de vijftig met een pet waaronder haar grijzende haren alle richtingen op wijzen. Ze kent Spike en vertelt dat ze op zoek is naar een bepaalde leeuw die ze al jaren volgt. Hij heeft een halsband met GPS tracking aan. De batterij is echter zo goed als leeg en moet dringend vervangen worden. Good luck, Jane!

Uitstappen dan voor onze wandeling: in “file indienne”, Spike met zijn tweeloop voorop. Heel veel dieren zien we niet: impala, warthog, dassies. Maar onze gids weet ons ook wel te animeren met de kleinere dingen. Hij wijst ons bij voorbeeld op colonnes mieren van zo’n 10 cm breed en wel 2 meter lang; De colonne is op zoek naar termieten. Of naar de molrat, althans de gangen ervan en de “molshopen”, of is het “molrathopen”? De temperatuur loopt op, maar gelukkig blijft het bewolkt. We beklimmen een kleine rotspartij en hebben van daaruit een prachtig overzicht op de savanne vol met mopane-bomen. Mopane-hout is een van de hardste houtsoorten die er zijn. Zelfs nadat de boom dood is blijft hij nog vele tientallen jaren overeind staan.

Toeristen met gewapende gids in de savanne.

Dan wijst Spike ons op drie bateleur arenden die boven onze hoofden cirkelen. Zie de blogpost van 29 augustus en 21 september 2014: we zien de nationale vogel van Zimbabwe dus inderdaad “live”. Uiteindelijk wandelen we een goeie 3,5 uur.

We eindigen onze wandeling aan een klein meertje, of eigenlijk groot “water-hole” waar net een olifant komt aangestapt. Er zitten ook een aantal nijlpaarden waaronder blijkbaar drie “adolescenten”. Die maken het nogal bont onder mekaar: het lijkt alsof ze elkaar voortdurend willen onderduwen. En ze oefenen tegeneen op in het “muil open sperren”. Een paar krokodillen liggen onbeweeglijk net voor de oever. De olifant drinkt, bespuit zich dan met modder en gaat tot zijn knieen in het water staan. De drie jonge nijlpaarden komen een kijkje nemen. Een tweede olifant arriveert: zelfde scenario.

Olifant met drie jonge nijlpaarden in poel.

Dan duikt er een warthog op. Die komt drinken en een modderbadje nemen. Opnieuw komen de drie jonge hippo’s kijken. Maar daar blijft het niet bij. Een van de drie stapt het water uit, recht naar de warthog toe. Die sprint weg achterna gezeten door het nijlpaard. Wat een schouwspel. De hippo geeft het snel op en keert op zijn stappen terug. Maar wat ziet hij daar liggen? Hmmm … lekkere olifantenstront. En die speelt het nijlpaard prompt naar binnen! Olifanten verteren slechts 40 % van hun voedsel. D’er zit dus best nog wat in datgene wat weer uit de olifant komt.

Jong nijlpaard aan de rand van een poel.

Onze safari-kar is inmiddels naar deze plek aan het meer gebracht. We kunnen terug naar de lodge rijden. Op die terugweg zien we – ongelooflijk – drie prachtige kroonkranen (crowned crane), uiteraard uit de kraanvogel-familie, die 50 meter van onze kar, rustig over de savanne wandelen.

Kroonkraan.

Na de lunch twee uurtjes rust. Tijd om bij te bloggen. Om 4 uur zijn we klaar voor een volgende tocht met ons vijven en Spike in de safari-kar. Via zijn radio heeft hij gehoord van een recente “lions-kill”: een jonge olifant zou neergelegd zijn door een leeuwentroep. Misschien kunnen we daar een kijkje gaan nemen? Wel een eindje rijden, maar “who cares?”.

Onder de weg passeren we hier en daar een eenzame olifant, mannetjesdieren want de olifantenmaatschappij is door de vrouwen gedomineerd. Alleen zij leven samen in een permanente groep. Deze ene mannetjesolifant staat heel dicht bij de weg. Maar Spike rijdt er toch tot vlak bij.

De olifant staart ons aan. Dan zet hij zijn oren wijd open, flappert er mee en krabt met zijn ene poot over de grond. Gevaarlijk? In elk geval stijgt de spanning. Vooral als het beest ook nog vervaarlijk trompettert. Maar Spike blijft er rustig bij: dit is een schijnaanval. En hij legt uit: als je bij voorbeeld een kip wil wegjagen, zwaai je met je armen, schreeuw je, kortom maak je veel misbaar. Maar als je ze echt wil pakken, dan doe je dat niet. Dan ga je ervoor, gericht op doel af. Zo is het ook met deze olifant … volgens Spike. Heeft hij zich dan nog nooit vergist? Nee, tot nu toe niet … maar het kan altijd eens de eerste keer zijn … wat met een olifant vermoedelijk tevens de laatste keer is.

Close-up van dreigende mannetjes-olifant.

Nu verder naar de “lions-kill”. Van de weg af, over de savanne, door putten en kuilen, over jonge boompjes en struiken. Zodra we in de buurt van de plek komen, merken we tientallen en tientallen gieren op die overal in de bomen zitten. En er komen er nog aangevlogen. Dan zien we een beetje verder de auto van Jane. Het schouwspel dat ons daar wacht is ongelooflijk. Vijf leeuwen – twee reusachtige mannetjes, een leeuwin en twee halfwassen welpen – verscheuren inderdaad een karkas van een jonge olifant. We staan op zowat 10 meter van de “kill”, vlak naast de auto van Jane. Beangstigend: het ene mannetje kijkt ons af en toe indringend aan terwijl hij verder gaat met het verscheuren van de prooi. En we zitten in onze open kar: zou hij ons niet zo kunnen verscheuren? Het tweede mannetje lijkt al verzadigd te zijn en zit ongeïnteresseerd rond te kijken. De leeuwin ligt er rustig bij terwijl de welpen lustig mee doen aan het trekken en sleuren aan het karkas.

Jane kent de leeuwen, uiteraard. De ene met zijn gemene blik, die niet ophoudt met eten maar ons ook steeds in de gaten houdt, is Nacha, de leider. Volgens Jane een valse kerel die ze voor geen haar vertrouwt.

Mannetjes leeuw die karkas verscheurt.

Hij is het ook waarvan ze de batterij in zijn GPS-halsband moet vervangen. Zijn manen zijn zo dik dat de halsband niet eens is te zien. Nog volgens Jane is Nacha 14 jaar oud wat erg oud is voor een leeuw in deze streken. Maar hij lijkt nog altijd sterk genoeg om zijn troep onder controle te houden. “The guy has only one nut, one testicle”, zegt Jane, wijzend op Nacha. Blijkbaar heeft ze dat vastgesteld tijdens een vorige verwisseling van batterij. Groot litteken op de balzak … dus waarschijnlijk iets kwijt gespeeld tijdens een vroeger gevecht om dominantie. Dat verklaart volgens Jane zijn slecht karakter. Nacha heeft zelfs een keer de koplampen van haar auto stuk gemept!

De andere mannetjesleeuw ziet er minstens zo imposant uit als Nacha. Hij heet Wussy, is 7 jaar oud, in de fleur van zijn leven maar aanvaardt voorlopig nog de dominantie van Nacha. In een gevecht zou Wussy normaal gezien nu al de bovenhand moeten hebben.

Leeuw met karkas van olifant.

Gieren zitten op veilige afstand het hele tafereel te bekijken. Af en toe komen ze dichter maar ze worden voortdurend weggejaagd door de welpen. Gieren hebben meestal een startbaan van enige lengte nodig en kunnen zich niet al te veel permitteren nu de leeuwen nog bij de geslachte olifant zitten. Een “hooded vulture” – dat is een kleinere en lichtere gierensoort, die sneller en korter opstijgt – kan zich wat meer permitteren en krijgt af en toe een klein stukje te pakken.

Nacha lijkt verzadigd. Hij wandelt een eindje verder, draait zich met zijn rug naar ons toe en … doet een kakje … wat dan ook onmiddellijk in de wijde omgeving te ruiken is! Dat wordt een lekkernij voor de “hooded vulture“. Niets gaat verloren in de natuur.

Lange tijd nog blijven we dit tafereel bekijken. Leeuwen die zich te goed doen aan een halfwassen olifant. Vermoedelijk is het dier vorige nacht gedood – Nacha is een beruchte “elephant slayer” – en zit de troep hier al een hele dag te vreten. De schemering zet in … we moeten helaas terug. Jane zal de hele nacht bij kadaver en leeuwentroep blijven want morgen … zoals zij het zelf zegt, krijgt Nacha “a dart in his butt”!

Nog snel een sundowner, een paar kilometer van de kill uiteraard. We horen de leeuwen in de verte brullen om aan te geven: dit is ons gebied. Hier wordt niet met ons gesold!

Op de terugweg in het donker, spot Spike met zijn zoeklicht nog twee wilde Afrikaanse katten (de voorouder van al onze huiskatten), twee “bat-eared foxes” (grootoorvos in het Nederlands?) en vele “sping hares” (spinghaas?) die op kangoeroes in miniatuur-formaat lijken. Nightjars (nachtzwaluwen) flitsen in het schijnsel van de koplampen …

In de lodge hebben ze voor het avondmaal op ons moeten wachten: 20u30 is het. Anderhalf uur later ligt iedereen in bed. Dromend van de Nacha-troep?