Parc du Marquenterre.

3 maart 2025.

Om 7u07 (😉) is alles in en rond het Domaine du Val in dichte mist gehuld. Twee uur later begint de zon aan haar snelle opruimwerk. Vlug, op het juiste moment – magic hour – plaatje schieten. Opnieuw een stralende dag in het vooruitzicht.

In de jaren twintig van de vorige eeuw koopt boer Michel Jeanson 200 ha waardeloze grond, net naast zijn akkers. Motivatie: jagen op de garenne konijnen die te veel mee smullen van zijn aanplant. Nog geen dertig jaar later doodt myxomatose 95 % van alle garenne konijnen: geen noodzaak meer om op konijnen te jagen; wat te doen met het waardeloze terrein? Inpolderen! Uiteraard met hulp van de specialisten terzake: Nederlanders. Als we dan toch bezig zijn – dijken gebouwd, water weg gepompt – waarom geen tulpen / tulpenbollen kweken? Zo gebeurt het tot begin jaren zeventig. De één gemaakte Europese markt en de concurrentie van de Nederlanders – sinds eeuwen veel betere en goedkopere tulpenkwekers – nekt ook dit project.

Boer Jeanson heeft inmiddels kennis gemaakt met een pastoor-ornitholoog en met zijn nieuwe hobby: vogels ringen. Als hij dan ook nog eens het Zwin in Vlaanderen bezoekt, is het hek van de dam: nieuw project. Van zijn waardeloze grond maakt hij een vogel habitat. In 1973 opent het “Parc Ornithologique du Marquenterre”, kortweg “Parc du Marquenterre” en in 1994 wordt het een deel van de “Réserve Naturelle Nationale de la Baie de Somme”.

Ons bezoek is de 12 € p.p. meer dan waard: een wandelcircuit van 6 km; 13 kijkhutten; tientallen soorten watervogels: kluten, plevieren, reigers, futen, berg- en andere eenden, aalscholvers, scholeksters, sternen, watersnippen, een lepelaar en … ooievaars! Die ene van gisteren zal wel uit de Marquenterre gekomen zijn. De “avocette élégante” – elegante kluut – mascotte van het park zien we echter niet. Wel ongelooflijk veel waterpartijen afgewisseld met grasland, struiken, bomen en houtwallen en hier en daar … rustbankjes en panelen met foto’s en uitleg.

Dit is een paradijs voor vogelaars, waarvan er een respectabel aantal, zwaar beladen met joekels van telelenzen, de kijkhutten bevolken. Overigens is het in dit seizoen rustig wandelen, de groepjes schoolkinderen aan de ingang niet te na gesproken.

Drie uur doen we over het totale circuit. Dan is het tijd voor een wel erg late (15:00 uur) en lichte lunch in het restaurant van Marquenterre: slaatjes uit een bokaal, met broodjes en een tiramisu, ook uit een bokaal; buiten op het terras, in de zon!

Vanavond pizza’s eten. Andermaal een topdag.

Domaine du Val, Grand-Laviers.

1 maart 2025.

Roses are shining in Picardy; In the hush of the silver dew …

Uit het liedje: Roses of Picardy.

In Picardië zijn er niet zoveel rozen meer (als die er al ooit geweest zijn): de dominante agro-industrie maakt het landschap schier eindeloos monotoon. Vanuit België moet je er nu eenmaal doorheen als je naar de baai van de Somme wil. Eerst passeer je de – onder grijze luchten – nog mistroostiger terrils van de “bassin minier” van Noord-Frankrijk. Pas daarna verschijnen de – in dit seizoen braakliggende – velden. Ontelbare windturbines proberen de laaghangende wolken weg te malen. Als we onze eindbestemming naderen (Le Domaine du Val in Grand-Laviers) lijken ze daarin te slagen; 15:00 uur: wolken en zon wisselen elkaar af!

In de jaren 50 van de vorige eeuw graasden op de 25 ha van Domaine du Val Normandische melkkoeien. Dertig jaar later bleek dat niet meer rendabel: Abbeville golfterrein kwam in de plaats. Tot 2019 kon je er balletjes slaan op een 18 holes parcours. Nog steeds wordt het gebied op Strava als “Abbeville golf” aangeduid. Amper twee jaar geleden kocht de zoon van de vroegere melkboer het terrein opnieuw en … gaf het terug aan de natuur en de toeristen. Houten paalwoning nummer 19 is voor vijf dagen “van ons”.

Evelien en Lou testen het binnenzwembad uit. Betty en ik verdwalen ondertussen in de Abbeville Hypermarché op zoek naar eten en drank.

2 maart 2025.

De weergoden zijn met ons: het wordt een stralende dag, weliswaar met een ijskoude ochtend. Op onze morgen-jogging spotten we een overvliegende ooievaar: een vroege “terugkeerder” uit Afrika? We passeren een oude boerderij, het 15de eeuwse kerkje van Grand-Lavier en verder welgeteld één wielertoerist. Op dit vroege zondagmorgen uur lijkt deze streek leeg.

Dezelfde ooievaar van daarnet (of een andere?) zien we op de 3,2 km lange natuurwandeling doorheen de “Réserve” van het Domaine du Val. Maar behalve veel sporen van everzwijnen, een paar konijntjes (lapin de garenne) en veel kraaien zijn er geen andere dieren te zien. Hier en daar herken je in het terrein nog de plaats van “holes” of “tees”.

Na de middag: tijd voor de exploratie van de echte Baai van de Somme. Le Hourdel is een vissersdorpje – één restaurant, één brasserie – aan de zuidelijke oever van de Somme. Er is een keienstrand, een vuurtorentje en de Pointe du Hourdel, een soort schiereilandje/zandbank die als een haak in de baai ligt. Blauwe lucht, wat diffuus zonlicht en … ‘t is net springtij: water overal! Ruim een uur blijven we zitten op het gras aan de rand van de “Pointe”. Op minder dan een half uur zien we het water meters en meters terugtrekken: bruingroene schorre-begroeiing verschijnt overal. Mooi om te zien, zeker bij dit rustige zonnige weer.

Heel anders ging het er hier aan toe in september 1066: een vroege voorjaarsstorm op het Kanaal dwingt een vloot van +/- 700 schepen met +/- 8.000 man aan boord – Normandiërs, Bretoenen, Vlamingen en Fransen – te schuilen in de baai van de Somme, tussen Le Hourdel en wat nu het dorpje Saint-Valéry-sur-Somme is. Hun doel: de verovering van Engeland; hun leider: de hertog van Normandië die – als de overwinning behaald is – William The Conquerer zal gaan heten.

Nog een pannenkoekje uit het vuistje en we kunnen terug naar “huis”. Op die terugweg zien we Schotse Highlander runderen grazen op zoute weilanden. Een paar zilverreigers loopt er tussen.

Wonderlijke streek.

Burro.

7 augustus 2024

Vila Nova de Milfontes.

In de onmiddellijke omgeving van Monte dos Pinheiros is Vila Nova de Milfontes zowat het enige stadje wat we nog niet bezochten. Daarheen dus.

Van het oorspronkelijke vissersdorpje aan de monding van de Mira is nog weinig te merken. De oude, bochtige straatjes zijn omsingeld door honderden vakantiewoningen . Het fort is vermoedelijk in privé-handen, in elk geval niet toegankelijk. Dichtbij: een monument voor drie piloten die van hieruit als eersten in 1924 naar Macau, China vlogen. Terrassen van bars, restaurants en prullaria-winkels nemen de straten in naar de “praias” (stranden). Tientallen zonnekloppers zijn al op weg naar hun dagelijkse activiteit: strand liggen.

Niet echt ons ding maar de monding van de Mira levert fotogenieke beelden op: langs de ene kant de stad met Castelo, langs de overkant een zanderige oever met bos daarachter (ja, je kan met veerpont overvaren), bootjes op en langs de Mira, de Atlantische Oceaan op de achtergrond. Twee mannen kijken dromerige naar de delta; de ene zingt een liedje, Cante Alentejano?

We wandelen naar het uiterste punt van de monding. Twee mannen kuisen grote vissen op een rotsachtig oceaanstrand. Tientallen meeuwen proberen voortdurend een stukje mee te pikken.

De stranden lopen vol … wij zijn weg.

Cabo Sardão.

De enige vuurtoren tussen Lissabon en Lagos in het uiterste zuiden staat eenzaam in Cabo Sardão, maar is wel bemand. Houten paadjes leiden naar twee uitkijk-platforms over deze kaap en de rotskusten. Ook de Rota Vicentina passeert hier … en een paar toeristen. 😃 Nu nog een laatste keer genieten van ons zwembad in Monte dos Pinheiros want … morgen terug naar België.

Oei, er ontbreekt een essentieel onderdeel van onze avondmaaltijd: rode wijn! Snel nog even naar de dichtstbijzijnde winkel – een Indische – op 7 km. Alle wijn staat achter de toonbank. De man aan de kassa draagt een tulband en is even schuchter als beleefd. Maar hij levert ons wel een Monte Velho Esporão van 4,99 € die achteraf heerlijk blijkt te smaken.

Bij het terugrijden merken we twee mannen die een kurkeik aan het ontdoen zijn van zijn schors. Heet dat “ontkurken”? De ene zit op een te ontschorsen tak, de andere hakt in op de stam. Foto nemen? Eerst even vragen of dat mag … Nee! De twee mannen kijken boos en roepen “proibido”. Ze hebben bijlen … beter geen foto nemen! Wie zei weer dat alle Portugezen vriendelijk zijn? De uitzonderingen bevestigen de regel.

Castelo do Burro.

De avondactiviteit: bezoek aan Castelo do Burro. Drie ezels (“Burro” in het Portugees), een mini-hond en eigenaars Miro en zijn vrouw wachten ons op. Lou mag al onmiddellijk op Fado, de grootste ezel rijden. Dat is even uit haar comfort-zone treden maar mits de nodige aarzeling doet ze het toch. Betty neemt de teugels van Fado en begeleidt de ezel alsof ze dat al 43 jaar doet. 😜

Castelo do Burro is een speciale boerderij, eigendom van een Duits koppel dat een twintigtal jaren geleden Beieren ontvluchtte om hier op een domein van 10 hectare in een prachtige omgeving te (over?)leven. Eigenlijk is het een soort kinderboerderij met – naast de ezels – twee Rafeiro do Alentejo-honden (afblijven en negeren, ze bewaken de dieren), kippen, geiten, lama’s en vicunya’s. Naast Lou – ezel rijden – zijn er nog die dingen voor het eerst in hun leven doen, zoals Betty – kip en krijsend geitje vasthouden – en Evelien: idem plus … ezel kussen! Of gekust worden?

Ik heb vooral oog voor het landschap van de Alentejo bij zonsondergang. Al dikwijls geschreven maar het doet aan zuidelijk Afrika denken. Hoe zou het er hier in de lente uitzien? Misschien moeten we maar terugkomen want dit is al helaas onze laatste dag in de Alentejo.

Odemira.

6 augustus 2024

Nee, de titel van deze blogpost is niet een “ode aan de rivier Mira” – dat had gekund – het is de naam van het stadje “Odemira”. Ons plan is om daar naar toe te rijden via de Castelo do Burro, een plek waar de blijkbaar zeldzaam wordende Iberische ezel wordt gekweekt en verzorgd, tevens een soort van veredelde kinderboerderij.

Castelo do Burro.

De tocht gaat grotendeels langs grindwegen, doorheen “de natuur”, dat wil zeggen vanaf een bepaald moment kilometerslang letterlijk geen enkel huis meer. Bij een wegsplitsing zou de Castelo do Burro nog maar 400 meter ver zijn. We laten de auto achter aan de kant van de ene grindweg en stappen de smallere veldweg in tot … een gesloten hek. Vier geitjes staren ons aan. Op het hek hangt een bord met en telefoonnummer: even bellen … geen gehoor! Dan maar terug naar de auto en verder rijden … slechts een paar honderd meter want hier staat een boerderij! Vijf mensen zitten buiten op stoeltjes en staren ons aan. Even vragen hoe dat zit met die Castelo. Maar zowel mijn Portugees als mijn gebarentaal schieten tekort. Door “geen bereik” laat ook Google Translate mij in de steek. Van de Portugese boeren begrijp ik wel dat de weg naar Odemira niet verder langs hier is en dat we moeten terugkeren!

Uiteindelijk op de juiste weg naar Odemira krijgen we ene Miro van Castelo do Burro aan de lijn. We kunnen de site bezoeken om 18:00 uur ‘s avonds – overdag werken de dieren op het land – aan 10 € per persoon. Lijkt ons nog leuk om te doen … morgen!

Odemira.

In Odemira is het alsof de huisjes als suikerklontjes in de vallei van de Mira zijn gedropt, dixit de Bradt reisgids. Dat klopt. We steken de rivier over via de smalle ijzeren brug en parkeren aan een leuk parkje. Eerste indruk: oei, niet echt speciaal of indrukwekkend. Bovenop een bergtop staat een standbeelden groep van een tiental zingende mensen: sinds 2022 een eerbetoon aan de Cante Alentejano, volksmuziek uit de Alentejo.

Onze mening over Odemira verandert als we naar de MIRAdouro(😀) do Castelo (uitkijktoren van het kasteel, vrij vertaald) stappen. Dit is het oude Odemira met de typische kleine en bochtige straatjes. Van het vroegere fort is behalve een paar muren niets meer overgebleven maar je krijgt er wel een panorama over de Mira-vallei. De biblioteca municipal staat ook al in de steigers. Maar er zijn hier heel wat andere karakteristieke hoekjes met oude, al dan niet verlaten gebouwen.

Pelgrim.

Bij de Igreja Matriz do São Salvador zit een eenzaam persoon die er uitziet als een typische pelgrim. ‘t Is er ook één: vanuit Hamburg vertrokken en naar Assisi en Rome gewandeld, vandaar naar Lourdes, Santiago de Compostela en Fatima, 6.000 km tot nu toe en dat in één jaar en één maand. Fier toont hij ons zijn stempelboekje. Hij wacht op de pastoor van de kerk voor zijn zoveelste stempel. Maar eigenlijk is hij hier gestrand nadat zijn portefeuille is gestolen: hij moet nu naar Lagos in het uiterste zuiden van Portugal om daar in de Duitse ambassade zijn nieuwe paspoort op te halen. Dan te voet naar Faro waar hij het vliegtuig terug naar huis neemt … vol van verhalen is de kerel. Maar voorlopig heeft hij geen geld … van ons krijgt hij alvast 10 € voor zijn vertellingen. Heel blij is hij er mee: genoeg voor 2 koffies en 2 lunches. Graag poseert hij voor een foto.

Zambujeira bis.

Nog even naar Zambujeira ‘s namiddags. Shoppen voor Evelien en Lou, een korte wandeling langs de kliffen voor ons. De jeugd heeft het kustdorpje ingenomen: morgen begint het Festival do Sudoeste! Maar wij hebben andere plannen voor onze laatste dag in de Alentejo!

P.S. Vroeg deze morgen is David zoals gepland terug gekeerd naar België tot groot verdriet van Lou.

Mira.

5 augustus 2024

Algares.

Opsplits-dag: David en Evelien joggen 12 km, naar de top van de Algares, waar een brandwacht toren zelfs op dit vroege uur al bemand is (of nog steeds, ook ‘s nachts?). Ik hou het bij 6 km, langs eucalyptus-plantages met hier en daar een – naar onze normen – armoedig huis. Joggen in de Alentejo is alsof je loopt in een winkel van zuiderse kruiden: venkel, eucalyptus, dennengeur …

Twee auto’s: de “jeugd” trekt naar de stranden ten zuiden van Zambujeira do Mar; Betty en ik kiezen voor het binnenland. We rijden naar Santa Clara e Velha, ofte het oude dorpje Santa Clara, in vogelvlucht amper 17 km van ons vakantiehuis. Maar we moeten wel door het bergachtige achterland van de kust, 30 km in totaal en doorheen een compleet verlaten gebied: geen enkel dorp, amper een huis hier en daar, beboste hellingen.

Santa Clara e Velha.

Santa Clara e Velha ligt aan de Mira-rivier. Maar “rivier” is een groot woord voor wat hier een klein stroompje is, “klein” net zoals het dorpje. Er zijn wel twee mercearia’s (winkeltjes) en twee bar / café’s. De bezienswaardigheden zijn klein maar pittoresk.

De “Espelho de Agua de Santa Clara”, vrij vertaald: de spiegel van het water van Santa Clara. Aan een dammetje vormt de Mira een vijvertje, net bij de ingang van het dorp. Bij veel neerslag loopt deze toegangsweg onder water (er is een modernere weg op een hoge brug over de Mira).

De Ponte de Santa Maria: de naam bedriegt want het is een oude Romeinse brug, of beter de ruïne van een brug: de helft is verdwenen. De brug ligt op een kleine kilometer van Santa Clara, op een idyllische plek verscholen in het groen. Met stalen balken zijn hier zitbanken en brugjes gemaakt zodat je de halve brug van alle kanten kan bewonderen. De hele Mira ligt hier vol waterlelies. We zijn hier helemaal alleen … wat is het hier stil en rustig!

De “Fonte do Azinhal” ligt aan de andere kant van het dorp en opnieuw even er buiten. Het is een plaats met twee waterputten, nog allebei in gebruik en waar je met een emmer aan een touw water omhoog trekt. Deze plaats is duidelijk nog steeds in gebruik: een inwoner komt aangereden in een oude Renault R5, kofferbak vol lege plastic bidons. Er is een barbecue en tafeltjes en stoelen van natuursteen. Duidelijk een ontmoetingsplek voor de dorpelingen.

Barragem de Santa Clara.

Nu nog even de wegwijzers “Barragem”, stuwdam volgen. Ze komen we bij het stuwmeer op de Mira-rivier, de Barragem de Santa Clara. De dam uit de jaren zestig van vorige eeuw kan je over rijden. Eigenaardig, aan één kant zit helemaal geen reling of afsluiting: je kan zo tientallen meters naar beneden tuimelen. Er is een kunstmatig strandje, zwembad eigenlijk, maar het meer dient vooral voor watervoorziening en om hydro-elektriciteit op te wekken. Boven op de top van een heuvel ligt een “poussada” (luxe-hotel).

Op de terugweg naar huis merken we nog het treinstation van Santa Clara-Sabóia op. Stoppen en uitstappen want het ziet er hier best leuk uit. Drie reizigsters wachten op een trein. Er zijn geklasseerde azulejo’s. Een paar taxi’s wachten eveneens. We wandelen even rond en raken in gesprek met een Duitser die al 30 jaar in Portugal woont. ‘t Moet een leraar zijn: hij geeft les in het Portugees in een school. Blijkbaar wachten de taxi’s op treinreizigers die naar het Festival do Sudoeste willen. En wanneer komt de trein? “Nobody knows”, zegt onze Duitser en hij stuift weg op zijn motor, naar eigen zeggen verkoeling zoeken in zijn zwembad. Gaan we ook doen. 😃