12 september 2016.
Passerelle Himalayenne de Sainte-Cécile.
Sainte-Cécile is een onooglijke deelgemeente van Florenville. Maar grotere bekendheid staat het dorp te wachten: sinds eind juni is hier een spectaculaire hangbrug over de Semois gebouwd, de “Passerelle Himalayenne de Sainte-Cécile”! Laten we die verkennen.
Alles aan de brug is nog gloednieuw. Er zijn (nog?) geen wegwijzers ernaartoe. Een deel sparrenbos langs de kant van de weg is gekapt en is rudimentaire parking geworden. Geplastificeerde A4’tjes tonen je het begin van het wandelpad. Gelukkig loopt dat ongeveer 1,8 km lange pad meestal rechtdoor. Om 10:00 uur staan hier al een dertigtal auto’s. De bekendheid van de brug neemt toe!
De passerelle zelf is 1 meter breed, 185 meter lang en hangt +/- 35 meter boven de Semois en … ze wiebelt! Maar we moeten erover … principieel … en dan gewoon terugkeren. We zijn in het midden van de brug: snel en onzeker een paar foto’s nemen. Drie witte ganzen scheren over de Semois, onder ons door. Ik voel me een beetje “ijl in het hoofd” als we erover zijn, een beetje zeeziek zonder zee. Betty voelt … niets!


Chassepierre.


Ons hoofddoel voor vandaag is de brouwerij van Orval. Maar pittoreske dorpjes langs de weg kunnen we niet negeren. Chassepierre is er zo één van, hoewel het niet kan tippen aan Torgny natuurlijk. Het dorpje ligt verscholen aan de voet van de erg steile helling van een cuesta. Even koffie slurpen op een terrasje in de zon en rustig genieten van de omgeving.



Orval.
De tante van Godfried van Bouillon zou hier in het water van de Mathilde-bron haar gouden trouwring verliezen. Ze bad tot God – wat kon je in die tijd anders doen, verzekering tegen verlies of diefstal bestond nog niet – en prompt kwam er een forel met de ring aanzwemmen! “Wat een gouden vallei”, riep tante uit … vallée d’or … Or-val … naam en logo van de abdij annex brouwerij waren geboren, samen met de legende!

Voor 12 € p.p. (senioren halve prijs) krijg je niet alleen toegang tot de fotogenieke ruïnes van de oude abdij, maar ook tot verschillende boeiende tentoonstellingen in prachtig gerestaureerde oude gebouwen. Je leert er uiteraard de bewogen geschiedenis van de abdij kennen. Er is het bier- of brouwerij-museum waar je met je hoofd in grote brouwketels loopt. Orval kaas maken, dat is nog een deelmuseum! Audio-displays vertellen over het kloosterleven en de regels van Benedictus. Er is een kruidentuin, een oude apotheek, de Mathilde-bron zelf en een reusachtige eeuwenoude eik. Tot slot kun je verdwalen in de keldergewelven van de oude abdij, tevens fundering van de nieuwe gebouwen. Ook hier weer tentoonstellingen … na 2 uur beginnen we aan tentoonstelling-overload te lijden! Hier zou je gerust een volledige dag kunnen doorbrengen.



Voor bezinnen en liturgie hebben we geen tijd meer; de honger knaagt. Gelukkig kan een bewaarengel helpen. Een paar honderd meter van de abdij ligt restaurant Á l’Ange Gardien.
Á l’Ange Gardien.
Deze morgen bij het ontbijt proefde ik al een Gaumenbert – Camenbert-achtige kaas waarvoor alleen gepasteuriseerde melk uit de Gaume wordt gebruikt – en een oude Orval-kaas. Mijn lunch-keuze in dezelfde stijl is snel gemaakt: ik kies de formule “2 bières – 3 fromages”. Dat is een “Orval vert” – licht biertje (4,5°), exclusief hier verkrijgbaar, nergens anders in de handel of op café te vinden – en een “Orval jeune” (6,2°). De kazen zijn een jonge en een oude Orval-kaas en één met biersmaak. Betty kiest voor een veiligere boterham met gerookte zalm. Ik beklaag me mijn keuze niet 🤪. Betty ook niet.
La Forgerie.
Vanavond dineren we in het piepkleine Sainte-Cécile waar twee restaurants zijn. We kiezen voor “La Forgerie”. Eerst nog even rondkuieren. Plots stormt een grote hond op ons af en … draaft ons voorbij. Twintig meter daarachter rent zijn vertwijfelde baasje, roepend en tierend op de hond. Maar die hond heeft een doel: hij loopt recht op een kleine hond af. Die rent verschrikt zijn huis binnen met … de grote loebas er achteraan en … zijn baasje die ook maar binnen duikt. Even later komen hond en baas met hangende pootjes naar buiten, samen met de buren / eigenaars van de kleine keffer. Er lijkt gelukkig toch geen burenruzie van te komen. De “Gaumais” en “Gaumaises” zijn vriendelijke mensen.
La Forgerie blijkt zowel een dorpscafé als een restaurant te zijn. We nemen de verkeerde dorpscafé-ingang, maar er is een zijdeur naar het restaurant. Een zestal tafeltjes, een beetje een art nouveau uitziend decor, gezellig. In een mum van tijd zijn de tafeltjes bezet, deels met toeristen, deels met “locals”. Bij die laatsten lijkt iedereen iedereen te kennen. Maar eigenaardig: er is een afvoerputje in het midden van het restaurant?!
Ook hier weer een honden probleem: aan één tafeltje zit een kleine reu. Die wordt dol wanneer er een teefje van zijn kaliber binnenwandelt. Zijn straf: onmiddellijk in een donkere “bench” … heethoofd gekalmeerd. Met uitgebreide excuses van de “locals” aan de “toeristen”. Een volgende gast heeft een schaap mee, eigenlijk een hond, maar even groot, wit en wollig. Die trekt naar de bovenverdieping … gelukkig! Op restaurant met je hond: het lijkt hier traditie.


Al dat hondengedoe leidt ons niet af van ons avondmaal: verfijnd, excellent – filet de canette (eendenborst) – niet wat je hier onmiddellijk zou verwachten. Bovendien is de bediening vlot en vriendelijk, met een baas die voortdurend tussen tafeltjes en keuken heen en weer holt. Perfecte afsluiter van een perfecte dag in La Gaume.
13 september 2026.
De zon laat ons in de steek. Na twee zonovergoten dagen is het nu grijs bewolkt. Voor ‘s middags is regen voorspeld. Nog “snel” van profiteren is de boodschap.
Chassepierre bis.
Er is meer in Chassepierre dan we gisteren vermoedden. Achter de kerk ontdekken we de “Trou des Fées”, een reeks spelonken en grotten, ooit – niemand weet wanneer – door mensen uitgegraven in de kalkstenen rotsen. Er is permanente verlichting en hier en daar een begin van stalactiet-vorming. Leuk.


Vanaf de “Trou” wandelen we de Semois over langs de Daviha. Een wandelpad loopt verder langs de rivier en biedt mooie panorama’s over de cuesta van Chassepierre. Merkwaardig hoe steil de ene kant van de cuesta is, waar het stadje tegen plakt.
Langs de Passerelle du Breux steken we opnieuw de Semois over. Deze voetbrug is gebouwd op de pijlers van de vroegere trambrug, opgeblazen in 1940 om de Duitse opmars te vertragen.


Épioux.
Het natuurgebied van Épioux ligt maar op 15 minuten rijden van Chassepierre. Het lijkt compleet verlaten en … een beetje verwaarloosd. Er is een eveneens vervallen kasteel waar een neef van Napoleon nog zou hebben gewoond; een borstplaat lijkt dat te bevestigen. Oorspronkelijk was het kasteel gebouwd in 1650 als residentie voor de eigenaars en opzichters van de hoogovens en smidsen op het terrein. De vijvers zijn aangelegd om die opkomende industrie van water te voorzien.


Vandaag is alles hier leeg en verlaten. Alhoewel … de vijvers worden bewoond door bevers, die hun sporen in de vorm van afgeknaagde boomstammen op de oever achterlaten. Een vogelkijkhut is als een beverburcht opgebouwd aan de rand van de grote vijver.


Florenville.
Onze laatste stop in La Gaume – de eerste regendruppels zijn een feit – is het uitzichtpunt over de vallei van de Semois vanaf de kerk van Florenville. Hier maakt de rivier een grote bocht. De kerk is in voor de streek typische, okergele zandsteen opgetrokken en heeft moderne glasramen. Ze was volledig vernield in WO II en is pas in 1951 opnieuw opengegaan. De toren is tijdens weekdagen toegankelijk … helaas, ‘t is zondag … een andere keer. La Gaume verdient meer dan twee dagen.
Ontdek meer van Blue Crane home.
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.