Bouillon.

23 mei 2026.

Hotel de la Poste, Bouillon.

’t Is eigenaardig wakker worden in Bouillon, in Hotel de la Poste. Vanuit onze oude beddenbakken – gelukkig met hedendaagse matras en onderstel – kijken we uit op antiek meubilair, geschuurd in Polen. Blote voeten op eeuwenoude, krakende planken vloeren. De wifi “kraakt” al even erg.

Beroemdheden zouden hier geslapen hebben. Napoleon III verbleef hier een nacht als krijgsgevangene onder Duitse escorte, na zijn smadelijke nederlaag tegen Pruisen in Sedan in 1870. Emile Zola zou hier geweest zijn, net zoals Victor Hugo en koningin Elisabeth maar daar is geen enkel bewijs van.

Hoe dan ook, het hotel straalt grandeur uit, van buiten maar meer nog binnenin. Marmer, houten trappen met dik tapijt, luxueuze salons, spiegels, glas, fauteuils: alsof we zo in de negentiende eeuw zijn beland.

Dat is dankzij een Nederlander uit Venray, ene Huub Bom – vandaar de naam van het trendy restaurant BOM. Hij nam een vervallen en leegstand gebouw over in de jaren zeventig van de vorige eeuw en restaureerde het. Het verhaal van die restauratie doet een lokale krant uit Venray uitgebreid uit de doeken.

Bouillon.

Overigens ligt Bouillon er op deze zaterdagochtend rustig bij, net zoals gisteravond. Ideaal om stad en omgeving te verkennen. met een Route You wandeling van 4,7 kilometer onder de titel: “Stadswandeling Bouillon: De parel aan de Semois”. Dat belooft.

Bouillon ligt in één van de vele bijna perfecte lussen van de Semois. Die lus wandelen we binnen langs de Pont de Liège, lange tijd de enige brug in de stad. Tot in de 19de eeuw vaarden inwoners met platbodems de Semois over.

In het centrum valt onmiddellijk de okergele kerk op. Ze contrasteert fel met de leisteen-grijze huizen en het kasteel door het gebruik van gele zandsteen en een 20ste eeuwse restauratie met geel-beige kalk. Even verder het stadhuis in een oud, klassiek gebouw en het Musée Ducal.

Maar echt leuk is het historische hart van de stad: de “Quartier de Bretagne”. De kleine straatjes en typische huizen doen denken aan meer zuiderse landen en streken.

We wandelen langs de linkeroever van de Semois, passeren oude stadspoorten : de Bastion du Dauphin en de Bastion de Bretagne. Wat is de omgeving groen, wat een natuur! Aan de Pont de France verschijnt links van ons het kasteel. Fotogeniek, zeker bij dit zomerse weer.

We moeten de smalle boogbrug over, niet zonder moeite en sensatie. De brug is amper breed genoeg voor een auto. Wandelaars, joggers, mountainbikers, fat-bikers, auto’s willen allemaal in beide richtingen de brug over. Het komt tot een staar-wedstrijd in het midden van de brug: twee auto’s staan bijna neus aan neus. Wie knippert eerst met de ogen? Gelukkig lost alles vreedzaam op.

Langs de rechteroever door het bos (verkoelende schaduw!) keren we terug. Waar het bos eindigt, houdt een Godfried van Bouillon standbeeld de wacht.

Le Couvent des Sépulcrines.

Tijd voor een koffie langs de Semois, op het terras van “La table des Sépulcrines”, het klooster van … ja, de “Sépulcrines”, vrij vertaald: de Kanunnikessen van het Heilig Graf. Dat klooster is vandaag één van de opvallendste en grootste gebouwen van Bouillon. Het huist nu de toeristische dienst en “Bouillon Medieval Experience”, waarover later meer.

Onze wandeling brengt ons verder door de 90 meter lange tunnel onder het kasteel. Nu rijden hier auto’s door maar oorspronkelijk werd de rots doorboord om “Le Bouilonais”, een buurtspoorweg naar Sedan, aan te leggen, eind 19de / begin 20ste eeuw.

Zo zijn we opnieuw bij de Pont de France: de cirkel is rond. Tijd voor meegebrachte lunch op een bankje in de schaduw, uitkijkend op de beboste helling van de rechteroever van de Semois.

Maar we moeten nog terug … de kasteelrots op, 45 meter omhoog in de blakende zon. En 45 meter langs de andere kant naar beneden, ook in de zon. Panorama’s zijn hier natuurlijk uitzonderlijk mooi, maar bezoek aan het kasteel houden we wijselijk voor morgen.

Bouillon Medieval Experience.

Terug aan het Couvent des Sépulcrines om Bouillon Medieval Experience te bezoeken. Daarvoor moet je wel een City Pass+ van 16 € kopen. Maar die geeft ook recht op toegang tot het kasteel, onder andere.

Met audiogids wandel je door zalen waarin via levensgrote projecties en animaties het verhaal van de eerste kruistocht wordt verteld, grotendeels vanuit het standpunt van Godfried van Bouillon weliswaar. Maar ‘t is een visueel boeiend spektakel. Achteraf dolen we nog even door de lege kloostergangen – de enige ingerichte cel is gesloten: niet (meer?) te bezichtigen.

Nu nog wat flaneren langs de Semois – de zwaan- en flamingo-pedalo’s zijn losgelaten op de rivier; ‘t is ook drukker in de stad – aperitieven, dineren en slapen in een historisch gebouw. Bonne nuit.

Het Mudia in Redu.

22 mei 2026.

Reisblogs rapporteren zelden of nooit over “eigen land”. Geen sant in eigen land? We breken met die gewoonte: hier komt België, om te beginnen: “Le pays de Bouillon”. Te beginnen met het dorpje Redu … hoewel … Redu ligt net niet in de “Pays de Bouillon” maar in de Famenne. Als je van het noorden of centrum van België komt, passeer je er wel. Vandaar …

Redu.

Redu is bekend, als boekendorp, als één van de mooiste dorpjes van Wallonië of door het nabij gelegen Euro Space Center. Maar wij gaan voor een nog veelal onbekende parel: het Mudia, Musée Didactique d’Arts.

Vrijdag 22 mei 2026 is een uitzonderlijk(?) vroege zomerdag: blauwe lucht, stralende zon, 22° C. De Ardennen zijn op hun mooist: diepgroene loofbossen, donkere naaldwouden, weiden van wiegende boterbloemen, vlammend gele brem … kerstbomen aanplant.

Het zonovergoten kleine centrum van Redu telt een aantal leuke terrasjes, kunstgalerijen en restaurants, naast huizen in typisch grijze leisteen – zoals de kerk – of gebouwen in vakwerk. Maar we zijn hier voor kunst!

Mudia.

Eens de balie van Mudia voorbij stappen we ruim 600 jaar kunst binnen, verspreid over vier verdiepingen. Te beginnen met een gedeeltelijke reproductie van de Brancacci kapel: muur-grootte reproducties van fresco’s met detail-uitleg via computerscherm. We wandelen verder door de eeuwen en de kunststromingen: 300 originele meesterwerken van Brueghel, Rodin, Ensor, Munch, Magritte, Warhol … 60 boeiende, interactieve animaties. Hier kun je uren spenderen en leuke weetjes oppikken.

Waarom worden de Vlaamse schilders van de 15de en 16de eeuw “primitieven” genoemd? Omdat zij als eersten met olieverf zouden geschilderd hebben of die kunst althans zouden vervolmaakt hebben. Van het Latijnse “primitivus”: eerst, oorspronkelijk.

Het woord “rococo” zou afgeleid zijn van de Franse woorden “baroque” en “rocaille”, een schelpvormig motief, veel gebruikt in deze kunststroming.

Dat karmijnrood van de schildluis is gemaakt wisten we. Maar niet dat het nog altijd als kleurstof E120 in snoep en yoghurt wordt verwerkt.

Over animaties gesproken: op groot computer-aanraakscherm wordt het drieluik “De temptatie van Sint-Antonius” van Jeroen Bosch geprojecteerd. Zodra je op één of ander monster tikt, komt dat gedrocht tot leven. Beesten kruipen uit eieren; demonen vliegen door de lucht; tweeslachtige wezens veranderen voortdurend van gedaante. Angstaanjagend voor klein? Boeiend en leuk voor groot!

Maar we “moeten” naar de Pays de Bouillon.

Le tombeau du Géant.

In vogelvlucht op nog geen 3 km van Bouillon – 15 minuten, 10 km met de auto – ligt één van de meest emblematische – en meest gefotografeerde – landschappen van België: de “Tombeau du Géant”. In een bijna perfecte lus van de Semois ligt een heuvel die op een grote grafzerk lijkt: dat is het graf van de reus. Legendes in overvloed. Maar bij stralende zomerzon (22 mei!) en nu 25 ° C hebben we meer oog voor het landschap.

Vijftig tinten groen: alsof elke boom met zijn eigen kleur zijn persoonlijkheid wil onderstrepen. Geen enkel spoor van menselijke activiteit te zien vanaf dit weidse uitzichtpunt in Botassart, behalve dan, beneden aan de Semois, het dak van het molenhuis. We wandelen naar beneden door een laag bos met afwisselend koele schaduw en strookjes zon, heen en terug naar de Semois slechts 2,5 km. Zover stappen we niet: naweeën van een hernia en voorzichtigheid manen ons aan om halfweg de afdaling terug te keren en … nogmaals van het landschap te genieten.

Gouden tor.

In Bouillon parkeren we op langs de boulevard Heynen. Gratis? Even vragen aan een motard: niet van hier. Aan een mevrouw met jengelende kinderen in een auto: krijgt net telefoon. Aan een verveelde meneer die in een bestelwagen zit te wachten: jawel, alle parking in Bouillon is gratis. Alleen moeten we de auto voor zaterdagavond verplaatsen omwille van de zondagse markt.

We logeren pal in het centrum, langs de Semois, in het iconische Hotel de la Poste. Voor het avondeten hebben we de keuze uit drie restaurants. We opteren voor het meest trendy met de eigenaardige naam: “Bom Food and Drinks” met terras langs de Semois-oever.

Nippend van een koele Sauvignon wachten we op onze hoofdschotel: Buddha Bowls. Plots vliegt een centimeter grote kever tegen mijn glas en valt onder onze tafel. ‘t Is een goud-groen exemplaar. Snel op handen en voeten om dat beest te identificeren.

Iemand van de naburige tafel schiet te hulp, een bioloog dan nog! Verdict: een gouden tor; niet zeldzaam maar wij hebben die nog nooit gezien. Het speciale aan de gouden tor: de dekschilden blijven gesloten tijdens het vliegen en de vleugels worden onder de dekschilden door geschoven.

Overigens … als we speciale insecten willen zien, beveelt de bioloog ons een natuurgebied bij Torgny aan. Voor een volgende trip?